Hoorcollege 2 (8-2): China 1000-1500
Case-study Tasmanië -> ecologische en geografische factoren remmen ontwikkeling van complexe
samenlevingen.
Inleiding
- In veel historische vertogen:
- Westerse dominantie geworteld in kenmerken van westerse samenleving.
- Continuïteit met klassieke wereld.
- Zeer beperkte belangstelling voor bijdrage van andere samenlevingen.
- Pas interessant na kolonisatie, cultuur gebagatelliseerd.
- Euraziatische continent:
- Voortdurend interactie en uitwisseling.
Deel 1: China: Politieke ontwikkeling
Politiek-staatkundig:
- Vroege periode, tot ca. 1550 BCE:
- Weinig bekend.
- Mythisch verleden van de zondvloed.
- Feodale periode, ca. 1550-221BCE:
- Kenmerken lijken op Europese feodale periode. Macht wordt gedelegeerd via leengoederen
die uit naam van de vorst zelfstandig worden bestuurd door leenmannen.
- Keizerrijk, 221BCE-1912CE.
- Republiek 1912-heden.
Eerste keizer: Qin Shihuangdi
- 221 BCE Qin deelstaat verkrijgt hegemonie op basis van:
- Uitbreiding economische en militaire macht.
- Legalisme als doctrine:
- Staatsbelang belangrijkst, boven particulier belang.
- Absolute gehoorzaamheid onderdanen.
- Vorst absolutie macht.
- Economisch en militair efficiënt.
- Qin leider neemt macht over.
- Ontmanteling feodale systeem -> zelf via dit systeem aan de macht gekomen, dus gevaarlijk
systeem
- Aanleg infrastructuur -> grip op het gebied krijgen, oost-west verbinding verbeteren,
troepen snel vervoeren.
- Algehele standaardisatie: maten, gewichten, munt, wetten.
- Bouw eerste Chinese muur, hoge aarde muur met wachttorens.
- Absolute macht.
- Bureaucratische ambtenaarsstaat, alternatief op feodale stelsel -> ambtenaren niet erfelijk
ambt en overplaatsbaar om zo macht te voorkomen.
- Terracottaleger: Hoog niveau productie en technologie aardewerk, waren beschilderd met
kleuren.
- Keizer vergezellen naar hiernamaals en macht opbouwen zoals op aarde.
Case-study Tasmanië -> ecologische en geografische factoren remmen ontwikkeling van complexe
samenlevingen.
Inleiding
- In veel historische vertogen:
- Westerse dominantie geworteld in kenmerken van westerse samenleving.
- Continuïteit met klassieke wereld.
- Zeer beperkte belangstelling voor bijdrage van andere samenlevingen.
- Pas interessant na kolonisatie, cultuur gebagatelliseerd.
- Euraziatische continent:
- Voortdurend interactie en uitwisseling.
Deel 1: China: Politieke ontwikkeling
Politiek-staatkundig:
- Vroege periode, tot ca. 1550 BCE:
- Weinig bekend.
- Mythisch verleden van de zondvloed.
- Feodale periode, ca. 1550-221BCE:
- Kenmerken lijken op Europese feodale periode. Macht wordt gedelegeerd via leengoederen
die uit naam van de vorst zelfstandig worden bestuurd door leenmannen.
- Keizerrijk, 221BCE-1912CE.
- Republiek 1912-heden.
Eerste keizer: Qin Shihuangdi
- 221 BCE Qin deelstaat verkrijgt hegemonie op basis van:
- Uitbreiding economische en militaire macht.
- Legalisme als doctrine:
- Staatsbelang belangrijkst, boven particulier belang.
- Absolute gehoorzaamheid onderdanen.
- Vorst absolutie macht.
- Economisch en militair efficiënt.
- Qin leider neemt macht over.
- Ontmanteling feodale systeem -> zelf via dit systeem aan de macht gekomen, dus gevaarlijk
systeem
- Aanleg infrastructuur -> grip op het gebied krijgen, oost-west verbinding verbeteren,
troepen snel vervoeren.
- Algehele standaardisatie: maten, gewichten, munt, wetten.
- Bouw eerste Chinese muur, hoge aarde muur met wachttorens.
- Absolute macht.
- Bureaucratische ambtenaarsstaat, alternatief op feodale stelsel -> ambtenaren niet erfelijk
ambt en overplaatsbaar om zo macht te voorkomen.
- Terracottaleger: Hoog niveau productie en technologie aardewerk, waren beschilderd met
kleuren.
- Keizer vergezellen naar hiernamaals en macht opbouwen zoals op aarde.