Hoofdstuk 8 Verlichting en revoluties
Paragraaf 1 De verlichting
Wat is de Verlichting?
Verlichting: periode waarin een kritische houding ontstond tegenover
geloof en traditie en in plaats daarvan gebruik werd gemaakt van het
verstand (rationalisme) en van de waarneming (empirisme).
‘Met verstand naar de wereld kijken.’ – vrijheid, gelijkheid en
burgerrechten.
Verlichte denkers
Verlichte denkers:
- Moraal: de mens moest zijn eigen verstand gebruiken en een moraal
volgen die tot nut van de samenleving als geheel was.
- Kritisch over de samenleving en de rol van de kerk.
- Afwijkende religieuze opvattingen mochten niet verboden en
vervolgd worden.
- Een goed bestuur moest het welzijn van het volk op rationele wijze
verbeteren.
- Verbeterde opvoeding en scholing moesten de samenleving gaan
verbeteren.
Mensen moesten opgevoed worden tot verantwoordelijke en
kritische burgers.
Beter onderwijs en meer onderzoek zouden leiden tot meer kennis.
Voltaire:
- Vond het geloof dogmatisch: iets werd zonder bewijs voor waarheid
aangenomen en er mocht geen kritiek op worden geleverd.
- Nam niet zomaar aan wat de kerk vond, maar zocht naar bewijzen
en onderbouwde zijn standpunten met logische redeneringen.
Rousseau:
- De ontwikkeling van de westerse beschaving was een afwijking van
wat oorspronkelijk goed was geweest.
- De mens is niet alleen een rationeel denkend wezen, maar ook een
vat vol emoties en gevaarlijke lusten.
, Vernieuwde ideeën
Politiek
1. Natuurlijke rechten: de rechten die ieder mens van nature heeft,
zoals het recht op leven, bezit en vrijheid.
Locke: Een politieke gemeenschap d.m.v. een sociaal contract moest
deze rechten beschermen. Als de regering hierin faalt, dan hebben
burgers het recht zich te verzetten en een andere regering in te
stellen.
2. Volkssoevereiniteit: het idee dat de hoofste macht in de staat bij het
volk ligt.
Rousseau: De regering is niets anders dan een uitvoerder van de
gezamenlijke wil van alle burgers. De burgers kunnen hun macht
altijd terugnemen.
3. Scheiding der machten/trias politica: het principe dat er in een staat
drie verschillende machten zijn (de wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht) en dat deze machten nooit in één persoon of
instelling samen mogen komen.
Montesquieu: scheiding der machten om machtsmisbruik te
voorkomen.
- Rechtsspraak veranderde: bewijzen waren vaak onbetrouwbaar
(bekentenis na marteling) en lijfstraffen waren irrationeel; welk doel
diende ze.
Economie
- De economie moet op basis van rationele overwegingen
vormgegeven worden.
- Wet van vraag en aanbod.
- Geen belemmeringen door de overheid.
- Handelskapitalisme.
Sociaal
- Tegen de standenmaatschappij en slavernij.
- Meer rechten voor vrouwen en kinderen.
- Religieuze gewoonten van andere volken waren niet minderwaardig;
alle mensen bezaten dezelfde innerlijke geloofskracht, maar de
uiterlijke vormen van het geloof was in de loop der tijd gevorm en
veranderd; cultuurrelativisme: het idee dat je een vreemde
cultuur niet op grond van idee normen en waarden van je eigen
cultuur moet beoordelen (bleef controversieel).
- Gebruikelijk: elke samenleving verloopt verschillende fases;
‘primitieve’ volken verkeerden zich in een vroege fase van de
ontwikkeling. De Europese beschaving was het verst ontwikkeld.
Paragraaf 1 De verlichting
Wat is de Verlichting?
Verlichting: periode waarin een kritische houding ontstond tegenover
geloof en traditie en in plaats daarvan gebruik werd gemaakt van het
verstand (rationalisme) en van de waarneming (empirisme).
‘Met verstand naar de wereld kijken.’ – vrijheid, gelijkheid en
burgerrechten.
Verlichte denkers
Verlichte denkers:
- Moraal: de mens moest zijn eigen verstand gebruiken en een moraal
volgen die tot nut van de samenleving als geheel was.
- Kritisch over de samenleving en de rol van de kerk.
- Afwijkende religieuze opvattingen mochten niet verboden en
vervolgd worden.
- Een goed bestuur moest het welzijn van het volk op rationele wijze
verbeteren.
- Verbeterde opvoeding en scholing moesten de samenleving gaan
verbeteren.
Mensen moesten opgevoed worden tot verantwoordelijke en
kritische burgers.
Beter onderwijs en meer onderzoek zouden leiden tot meer kennis.
Voltaire:
- Vond het geloof dogmatisch: iets werd zonder bewijs voor waarheid
aangenomen en er mocht geen kritiek op worden geleverd.
- Nam niet zomaar aan wat de kerk vond, maar zocht naar bewijzen
en onderbouwde zijn standpunten met logische redeneringen.
Rousseau:
- De ontwikkeling van de westerse beschaving was een afwijking van
wat oorspronkelijk goed was geweest.
- De mens is niet alleen een rationeel denkend wezen, maar ook een
vat vol emoties en gevaarlijke lusten.
, Vernieuwde ideeën
Politiek
1. Natuurlijke rechten: de rechten die ieder mens van nature heeft,
zoals het recht op leven, bezit en vrijheid.
Locke: Een politieke gemeenschap d.m.v. een sociaal contract moest
deze rechten beschermen. Als de regering hierin faalt, dan hebben
burgers het recht zich te verzetten en een andere regering in te
stellen.
2. Volkssoevereiniteit: het idee dat de hoofste macht in de staat bij het
volk ligt.
Rousseau: De regering is niets anders dan een uitvoerder van de
gezamenlijke wil van alle burgers. De burgers kunnen hun macht
altijd terugnemen.
3. Scheiding der machten/trias politica: het principe dat er in een staat
drie verschillende machten zijn (de wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht) en dat deze machten nooit in één persoon of
instelling samen mogen komen.
Montesquieu: scheiding der machten om machtsmisbruik te
voorkomen.
- Rechtsspraak veranderde: bewijzen waren vaak onbetrouwbaar
(bekentenis na marteling) en lijfstraffen waren irrationeel; welk doel
diende ze.
Economie
- De economie moet op basis van rationele overwegingen
vormgegeven worden.
- Wet van vraag en aanbod.
- Geen belemmeringen door de overheid.
- Handelskapitalisme.
Sociaal
- Tegen de standenmaatschappij en slavernij.
- Meer rechten voor vrouwen en kinderen.
- Religieuze gewoonten van andere volken waren niet minderwaardig;
alle mensen bezaten dezelfde innerlijke geloofskracht, maar de
uiterlijke vormen van het geloof was in de loop der tijd gevorm en
veranderd; cultuurrelativisme: het idee dat je een vreemde
cultuur niet op grond van idee normen en waarden van je eigen
cultuur moet beoordelen (bleef controversieel).
- Gebruikelijk: elke samenleving verloopt verschillende fases;
‘primitieve’ volken verkeerden zich in een vroege fase van de
ontwikkeling. De Europese beschaving was het verst ontwikkeld.