Methoden en technieken samenvatting hoofdstuk 11
Operationalisatie: je ontwikkelt de begrippen uit je ontwerp tot zogenoemde meetinstrumenten
Operationaliseren wordt toegepast op twee dataverzamelingsmethoden: de enquête (kwantitatieve
methoden) en het interview (kwalitatieve methode). Deze twee vormen van dataverzameling kom je
in de praktijk het meeste tegen.
Bij operationaliseren werk je de begrippen uit je theoretisch kader uit tot meetbare instrumenten.
Meetinstrumenten zijn hulpmiddelen waarmee je de gegevens verzamelt. Je werkt dus van abstract
naar concreet.
Van onderzoeksvragen naar zogeheten waarnemingsvragen dit noem je operationaliseren
Je werkt deze theoretische begrippen (zoals bedoel) uit tot een meetbaar begrip (zoals bepaalt)
Begripsafbakening Operationalisatie vragenlijst
Vier stappen in kwantitatieve operationalisatie
1. Het begrip dat je wilt onderzoeken wordt ook wel het theoretisch begrip genoemd
2. Vervolgens bepaal je de facetten waarop je dit begrip gaat meten. Deze facetten vormen een
onderdeel van het theoretisch begrip, maar je kunt ze nu nog steeds niet meten , daarvoor
zijn ze nog te vaag. Ze beantwoorden wel al een aantal vragen over de grote lijnen waar je
het begrip kunt verdelen.
3. Uit deze facettten kun je de meetbare begrippen filteren: het begrip-zoals-bepaald
In feite heb je hiermee je operationalisatie afgerond, want je hebt nu de begrippen die je
kunt meten, bijvoorbeeld op een oplopende schaal van tevredenheid.
4. Je werkt het begrip uit stap drie uit in een concrete waarnemingsvraag voor je
dataverzameling.
Theoretisch begrip (bedoeld) facet meetbaar begrip (bepaald) waarnemingsvraag
Meetinstrument = hulpmiddel waarmee je de gegevens verzamelt
Operationalisatie = uitwerken van de begrippen uit het theoretisch kader tot meetbare instrumenten
, Standaardvragenlijsten: het gebruik van standaardvragenlijsten de geloofwaardigheid en de
betrouwbaarheid van de resultaten kan verhogen. Meestal zijn ze ook al gevalideerd (gecheckt op
zuiverheid). Controleer wel of de standaardvragenlijst die je wilt gebruiken, voldoet aan de criteria
voor een goede vragenlijst.
Pilot: nadat je de vragenlijst hebt ontwikkeld, kun je het beste een keertje proefdraaien, door middel
van een pilot. Je probeert de vragenlijst uit, om te kijken of er geen fouten meer in zitten, of de
volgorde juist is, of de vragen goed lopen en of je nog iets gemist hebt. Dit verhoogd te
betrouwbaarheid en de validiteit van je onderzoek.
De vorm van de vragenlijst: vraag en antwoordtypen
- Enkelvoudige vraag en antwoord wat is uw leeftijd? Het antwoord op deze vraag ‘’vul je
gewoon in’’
- (Likert) schaal: antwoordschaal die je bij samengestelde meetinstrumenten kunt gebruiken.
De antwoorden lopen op van bijvoorbeeld ‘’helemaal mee eens’’ tot ‘’helemaal mee oneens’’
- Lijst: de respondenten kunnen een antwoord uit een lijst kiezen
- Open vraag-en-antwoord: respondenten kunnen zelf een antwoord formuleren
- Halfopen vraag-en-antwoord: stel dat geen van de voorgestelde antwoorden op de
respondent van toepassing is, dan kan deze een eigen antwoord invullen. Dit heet ook wel
restcategorie.
- Meervoudige vraag-en-antwoord: het kan zijn dat op een vraag meerdere antwoorden
mogelijk zijn: de respondent kan dan alle antwoorden in de lijst aankruisen die van
toepassing zijn.
- Dichotome vraag-en-antwoord: bij dit type vragen zijn er maar twee antwoordmogelijkheden
nodig
Operationalisatie: je ontwikkelt de begrippen uit je ontwerp tot zogenoemde meetinstrumenten
Operationaliseren wordt toegepast op twee dataverzamelingsmethoden: de enquête (kwantitatieve
methoden) en het interview (kwalitatieve methode). Deze twee vormen van dataverzameling kom je
in de praktijk het meeste tegen.
Bij operationaliseren werk je de begrippen uit je theoretisch kader uit tot meetbare instrumenten.
Meetinstrumenten zijn hulpmiddelen waarmee je de gegevens verzamelt. Je werkt dus van abstract
naar concreet.
Van onderzoeksvragen naar zogeheten waarnemingsvragen dit noem je operationaliseren
Je werkt deze theoretische begrippen (zoals bedoel) uit tot een meetbaar begrip (zoals bepaalt)
Begripsafbakening Operationalisatie vragenlijst
Vier stappen in kwantitatieve operationalisatie
1. Het begrip dat je wilt onderzoeken wordt ook wel het theoretisch begrip genoemd
2. Vervolgens bepaal je de facetten waarop je dit begrip gaat meten. Deze facetten vormen een
onderdeel van het theoretisch begrip, maar je kunt ze nu nog steeds niet meten , daarvoor
zijn ze nog te vaag. Ze beantwoorden wel al een aantal vragen over de grote lijnen waar je
het begrip kunt verdelen.
3. Uit deze facettten kun je de meetbare begrippen filteren: het begrip-zoals-bepaald
In feite heb je hiermee je operationalisatie afgerond, want je hebt nu de begrippen die je
kunt meten, bijvoorbeeld op een oplopende schaal van tevredenheid.
4. Je werkt het begrip uit stap drie uit in een concrete waarnemingsvraag voor je
dataverzameling.
Theoretisch begrip (bedoeld) facet meetbaar begrip (bepaald) waarnemingsvraag
Meetinstrument = hulpmiddel waarmee je de gegevens verzamelt
Operationalisatie = uitwerken van de begrippen uit het theoretisch kader tot meetbare instrumenten
, Standaardvragenlijsten: het gebruik van standaardvragenlijsten de geloofwaardigheid en de
betrouwbaarheid van de resultaten kan verhogen. Meestal zijn ze ook al gevalideerd (gecheckt op
zuiverheid). Controleer wel of de standaardvragenlijst die je wilt gebruiken, voldoet aan de criteria
voor een goede vragenlijst.
Pilot: nadat je de vragenlijst hebt ontwikkeld, kun je het beste een keertje proefdraaien, door middel
van een pilot. Je probeert de vragenlijst uit, om te kijken of er geen fouten meer in zitten, of de
volgorde juist is, of de vragen goed lopen en of je nog iets gemist hebt. Dit verhoogd te
betrouwbaarheid en de validiteit van je onderzoek.
De vorm van de vragenlijst: vraag en antwoordtypen
- Enkelvoudige vraag en antwoord wat is uw leeftijd? Het antwoord op deze vraag ‘’vul je
gewoon in’’
- (Likert) schaal: antwoordschaal die je bij samengestelde meetinstrumenten kunt gebruiken.
De antwoorden lopen op van bijvoorbeeld ‘’helemaal mee eens’’ tot ‘’helemaal mee oneens’’
- Lijst: de respondenten kunnen een antwoord uit een lijst kiezen
- Open vraag-en-antwoord: respondenten kunnen zelf een antwoord formuleren
- Halfopen vraag-en-antwoord: stel dat geen van de voorgestelde antwoorden op de
respondent van toepassing is, dan kan deze een eigen antwoord invullen. Dit heet ook wel
restcategorie.
- Meervoudige vraag-en-antwoord: het kan zijn dat op een vraag meerdere antwoorden
mogelijk zijn: de respondent kan dan alle antwoorden in de lijst aankruisen die van
toepassing zijn.
- Dichotome vraag-en-antwoord: bij dit type vragen zijn er maar twee antwoordmogelijkheden
nodig