Domein bewegingsexpressie
1. Bouwstenen van beweging
Individueel relatie
Ruimte - Ruimtelagen Contrast in
- Richtingen tijd/kracht/ruimte
- Patronen Synchroon bewegen
- Grootte/vorm Inspelen op elkaar (actie-
- Plaats reactie)
Tijd - Tempo
- Maat en ritme
- Duur
- Frasering/volgorde
Kracht - Spierspanning
- Gewicht
- energie
Je beweegt steeds in de RUIMTE,
gedurende een bepaalde TIJD
en met een zeker KRACHT.
Indien je met meerderen beweegt,
is er steeds een onderlinge RELATIE
- De VARIATIE en de KWALITEIT van BEWEGINGEN wordt bepaald door de
variatie en de kwaliteit van de BOUWSTENEN!
- Het HANTEREN van BOUWSTENEN is dus belangrijk om
eigen werk te creëren.
om diepgaand te kunnen communiceren over werk/kunst van anderen.
om het muzisch proces inhoudelijk te kunnen begeleiden.
1.1 Ruimte
- ruimtelagen
je kunt hoog en laag bewegen. Bewegingen op de vloer (laag) noemen we floorwork.
- Richtingen
Het gaat om richtingen gedacht vanuit eigen lichaam. Je kan in verschillende
richtingen dansen: voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts of diagonaal.
- Patronen
Je kan patronen maken op de vloer (vloerpatronen) , maar ook in denkbeeldige
vlakken in de lucht. Werken met patronen is het beschrijven of volgen van rechte of
gebogen lijnen; Veel voorkomende zijn cirkels, zigzag, slingerend,…
, - grootte/vorm
je kan je lichaam groot of klein maken, kleine of grote bewegingen maken, statisch
of dynamische houdingen aannemen. Open, gesloten, hoekige of ronde vormen
maken met je lichaam.
- Plaats
Gaat over situering in de ruimte, vooraan achteraan middenin op een scène
bewegen. Je past je bewegingen aan aan de omgeving en je speelt in op het decor.
Sommigen blijven ook in hun eigen vlak.
1.2 Tijd
- Tempo
Een beweging kan snel of langzaam worden uitgevoerd of in een tempo er tussenin.
Het kan worden versneld of vertraagd.
- maat en ritme
de maat kan regelmatig of onregelmatig zijn uitgaande van de muziek. Het
omgekeerde: wanneer je door met bepaalde accenten te bewegen er een bepaald
ritme ontstaat.
- Duur
De ene beweging is kort en plots. De andere is lang en aangehouden.
- frasering/volgorde
het maken van bewegingszinnen met een begin, verloop en einde. De frasering kan
gekoppeld zijn aan muziek of aan het energetisch verloop van een reeks
bewegingen. Een bewegingscompositie kan je ontwerpen door verschillende
bewegingszinnen of frases na elkaar te zetten, te herhalen, te veranderen.
1.3 Kracht
- spierspanning
de spierspanning gaat over gespannen en ontspannen bewegingen. Als een houten
pop (gespannen ledematen) of een slappe pop. Je kunt de spanning langzaam laten
opbouwen of afnemen.
- gewicht (en evenwicht)
evenwicht heeft te maken met het zoeken naar stabiliteit. Verschillende bewegingen
vragen om verschillende gewichtsverdelingen. Tegengestelde zwaar (als een olifant)
en licht (als een insect op een wateroppervlak) zwaartekracht speelt een belangrijke
rol.
- Energie
1. Bouwstenen van beweging
Individueel relatie
Ruimte - Ruimtelagen Contrast in
- Richtingen tijd/kracht/ruimte
- Patronen Synchroon bewegen
- Grootte/vorm Inspelen op elkaar (actie-
- Plaats reactie)
Tijd - Tempo
- Maat en ritme
- Duur
- Frasering/volgorde
Kracht - Spierspanning
- Gewicht
- energie
Je beweegt steeds in de RUIMTE,
gedurende een bepaalde TIJD
en met een zeker KRACHT.
Indien je met meerderen beweegt,
is er steeds een onderlinge RELATIE
- De VARIATIE en de KWALITEIT van BEWEGINGEN wordt bepaald door de
variatie en de kwaliteit van de BOUWSTENEN!
- Het HANTEREN van BOUWSTENEN is dus belangrijk om
eigen werk te creëren.
om diepgaand te kunnen communiceren over werk/kunst van anderen.
om het muzisch proces inhoudelijk te kunnen begeleiden.
1.1 Ruimte
- ruimtelagen
je kunt hoog en laag bewegen. Bewegingen op de vloer (laag) noemen we floorwork.
- Richtingen
Het gaat om richtingen gedacht vanuit eigen lichaam. Je kan in verschillende
richtingen dansen: voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts of diagonaal.
- Patronen
Je kan patronen maken op de vloer (vloerpatronen) , maar ook in denkbeeldige
vlakken in de lucht. Werken met patronen is het beschrijven of volgen van rechte of
gebogen lijnen; Veel voorkomende zijn cirkels, zigzag, slingerend,…
, - grootte/vorm
je kan je lichaam groot of klein maken, kleine of grote bewegingen maken, statisch
of dynamische houdingen aannemen. Open, gesloten, hoekige of ronde vormen
maken met je lichaam.
- Plaats
Gaat over situering in de ruimte, vooraan achteraan middenin op een scène
bewegen. Je past je bewegingen aan aan de omgeving en je speelt in op het decor.
Sommigen blijven ook in hun eigen vlak.
1.2 Tijd
- Tempo
Een beweging kan snel of langzaam worden uitgevoerd of in een tempo er tussenin.
Het kan worden versneld of vertraagd.
- maat en ritme
de maat kan regelmatig of onregelmatig zijn uitgaande van de muziek. Het
omgekeerde: wanneer je door met bepaalde accenten te bewegen er een bepaald
ritme ontstaat.
- Duur
De ene beweging is kort en plots. De andere is lang en aangehouden.
- frasering/volgorde
het maken van bewegingszinnen met een begin, verloop en einde. De frasering kan
gekoppeld zijn aan muziek of aan het energetisch verloop van een reeks
bewegingen. Een bewegingscompositie kan je ontwerpen door verschillende
bewegingszinnen of frases na elkaar te zetten, te herhalen, te veranderen.
1.3 Kracht
- spierspanning
de spierspanning gaat over gespannen en ontspannen bewegingen. Als een houten
pop (gespannen ledematen) of een slappe pop. Je kunt de spanning langzaam laten
opbouwen of afnemen.
- gewicht (en evenwicht)
evenwicht heeft te maken met het zoeken naar stabiliteit. Verschillende bewegingen
vragen om verschillende gewichtsverdelingen. Tegengestelde zwaar (als een olifant)
en licht (als een insect op een wateroppervlak) zwaartekracht speelt een belangrijke
rol.
- Energie