Funbio samenvatting H.29, 39 en 35
Voor een groot deel van de geschiedenis van de aarde was het aardoppervlak levenloos.
Cyanobacteriën en protisten bestonden ongeveer 1,2 miljard jaar geleden. 500 miljoen jaar
geleden kwamen de eerste kleine planten, schimmels en dieren. Planten worden gedefinieerd
als aardse voorouders, hoewel sommige nu aquatisch zijn.
Bij charophyten beschermd een laag
polymeer genaamd sporopollen de zygoot
aan uitdroging. Deze sporopollen worden ook
aangetroffen in muren van plantensporen.
Charophyte voorouders zijn op een gegeven
moment het land op gegaan. Dit zorgde voor
meer zonlicht, CO2 en een voedingsrijke
grond. Helaas zorgde dit ook voor een gebrek
aan water en structurele support.
Embryophyten (landplanten) hebben 5 eigenschappen die charophyten missen:
Afwisseling van generaties
Multicellulaire, afhankelijke embryo’s
Ommuurde sporen geproduceerd in sporangia
Multicellulaire gametangia orgaan waarin gameten gevormd worden
Apicale meristemen groep van stamcellen waarmee vaatplanten kunnen aangroeien
Afwisseling van generaties het diploïde embryo wordt vastgehouden in het weefsel van de
vrouwelijke gametophyt. Voedingsstoffen worden overbracht van de ouder op de embryo via
placentaire overdrachtscellen. Landplanten worden dus Embryophyten genoemd vanwege de
afhankelijkheid van het embryo op de ouder. Bijkomende (beschermende) eigenschappen
hierbij zijn:
Cuticula: wasachtige bedekking van de epidermis (boven de opperhuid epidermis).
Hierdoor droogt het weefsel niet uit.
Stomata: gespecialiseerde cellen die zorgen voor gasuitwisseling tussen de plant en de
lucht.
Mycorrhiza: symbiotische relatie tussen fungi en landplanten dat zorgt dat planten zonder
echte wortels voedingsstoffen op kunnen nemen.
Landplanten (embryophyten)
kunnen worden ingedeeld op
basis of ze wel of geen vasculair
weefsel (weefsel dat zorgt
, voor transport door de plant) hebben. De meeste planten zijn wel
vaatplanten. Niet-vasculaire planten worden bryofyten genoemd, maar
dit is geen monophyletische groep.
Levenscyclus van een mos. Verschillen
sporen en zaden:
Zaden zijn veel groter
Zaden zijn veel
complexer
Zaden zijn te vinden in
fruit of bloemen en
sporen bevinden zich in
niet bloeiende planten
Zaden kunnen worden
verspreid door dieren,
sporen alleen door de
wind.
levenscyclus zaadloze vasculaire
plant.
Zaadplanten ontstonden ongeveer 360
miljoen jaar geleden. Een zaad
bestaat uit een embryo en
voedingstoffen omgeven door een
beschermende laag. Zaden kunnen
zich verspreiden over lange afstanden
door wind of andere middelen.
Zaadplanten vormen een clade en kunnen worden ingedeeld in twee groepen:
Gymnospermen betekent ‘naakte zaden’. De zaden worden blootgesteld aan
sporofylen die kegels vormen, de meeste gymnospermen zijn hierdoor ook coniferen
(vormen kegels)
Voor een groot deel van de geschiedenis van de aarde was het aardoppervlak levenloos.
Cyanobacteriën en protisten bestonden ongeveer 1,2 miljard jaar geleden. 500 miljoen jaar
geleden kwamen de eerste kleine planten, schimmels en dieren. Planten worden gedefinieerd
als aardse voorouders, hoewel sommige nu aquatisch zijn.
Bij charophyten beschermd een laag
polymeer genaamd sporopollen de zygoot
aan uitdroging. Deze sporopollen worden ook
aangetroffen in muren van plantensporen.
Charophyte voorouders zijn op een gegeven
moment het land op gegaan. Dit zorgde voor
meer zonlicht, CO2 en een voedingsrijke
grond. Helaas zorgde dit ook voor een gebrek
aan water en structurele support.
Embryophyten (landplanten) hebben 5 eigenschappen die charophyten missen:
Afwisseling van generaties
Multicellulaire, afhankelijke embryo’s
Ommuurde sporen geproduceerd in sporangia
Multicellulaire gametangia orgaan waarin gameten gevormd worden
Apicale meristemen groep van stamcellen waarmee vaatplanten kunnen aangroeien
Afwisseling van generaties het diploïde embryo wordt vastgehouden in het weefsel van de
vrouwelijke gametophyt. Voedingsstoffen worden overbracht van de ouder op de embryo via
placentaire overdrachtscellen. Landplanten worden dus Embryophyten genoemd vanwege de
afhankelijkheid van het embryo op de ouder. Bijkomende (beschermende) eigenschappen
hierbij zijn:
Cuticula: wasachtige bedekking van de epidermis (boven de opperhuid epidermis).
Hierdoor droogt het weefsel niet uit.
Stomata: gespecialiseerde cellen die zorgen voor gasuitwisseling tussen de plant en de
lucht.
Mycorrhiza: symbiotische relatie tussen fungi en landplanten dat zorgt dat planten zonder
echte wortels voedingsstoffen op kunnen nemen.
Landplanten (embryophyten)
kunnen worden ingedeeld op
basis of ze wel of geen vasculair
weefsel (weefsel dat zorgt
, voor transport door de plant) hebben. De meeste planten zijn wel
vaatplanten. Niet-vasculaire planten worden bryofyten genoemd, maar
dit is geen monophyletische groep.
Levenscyclus van een mos. Verschillen
sporen en zaden:
Zaden zijn veel groter
Zaden zijn veel
complexer
Zaden zijn te vinden in
fruit of bloemen en
sporen bevinden zich in
niet bloeiende planten
Zaden kunnen worden
verspreid door dieren,
sporen alleen door de
wind.
levenscyclus zaadloze vasculaire
plant.
Zaadplanten ontstonden ongeveer 360
miljoen jaar geleden. Een zaad
bestaat uit een embryo en
voedingstoffen omgeven door een
beschermende laag. Zaden kunnen
zich verspreiden over lange afstanden
door wind of andere middelen.
Zaadplanten vormen een clade en kunnen worden ingedeeld in twee groepen:
Gymnospermen betekent ‘naakte zaden’. De zaden worden blootgesteld aan
sporofylen die kegels vormen, de meeste gymnospermen zijn hierdoor ook coniferen
(vormen kegels)