Computerpracticum 1
Vraag 1:
a. S zijn het aantal zelf-epitopen die er zijn (105). Het optimum wordt bepaald door 1/S. Als
S dus groter wordt, dan wordt het optimum kleiner (groen) en als S kleiner wordt dan
wordt het optimum groter (rood).
Ro zijn het aantal T-cellen die je hebt. Het optimum rechts verandert nauwelijks, maar de
range naar links wel. Als Ro kleiner is (blauw), dan zijn er minder cellen, dus als de cel
dan heel specifiek is, dan herkend het minder snel pathogenen en komt er geen
immuunrespons. Als Ro groter is (oranje), dan zijn er juist meer T-cellen. Omdat er meer
cellen zijn, kunnen deze ook specifieker zijn en nog steeds een succesvolle
immuunrespons opwekken.
b. Het immuunsysteem is zo specifiek zodat het niet eigen-peptides gaat herkennen. Maar
omdat het immuunsysteem zo specifiek is, moet het ook divers zijn om alle verschillende
pathogenen te kunnen herkennen.
c. Als in andere soorten S hoger is, dan heb je meer specificiteit nodig en dus ook meer
diversiteit.
d. Als S=105, dan wordt er een goede immuunrespons opgewekt (Pi=1,0) bij een log(p)
tussen de -8 en -4 zit, en dus een p tussen de 10-4 en 10-8. De T-cellen zijn best wel
specifiek dus ze moeten ook een grote diversiteit hebben.
e. De grafieken hiervoor waren voor een immuunrespons tegen één pathogeen. Het optimum
lag hierbij tussen de 10-4 en 10-8 log(p), bij 10-5 om specifiek te zijn. Dit optimum
verandert niet als je dit verandert naar 100 pathogenen.