Samenvatting I&M - blok 3 - Gedragswetenschappen
Week 1. Inleiding in de psychologie, geheugen en herinneringen
Waarom is psychologie belangrijk in de verpleegkunde praktijk:
• Patiënten motiveren
• Afstemmen op de patiënt
• Omgaan met psychische problematiek
• Betrekken van belangrijke naasten
Stromingen binnen de psychologie
Vijf perspectieven:
1. Biologische perspectief
➔ Erfelijkheid
➔ Zenuwstelsel/ hormonale stelsel
Bijvoorbeeld decorumverlies bij dementie.
2. Behaviouristische perspectief
➔ Psychologie moet zich enkel richten op waarneembare gebeurtenissen
➔ Stimulus – respons
➔ Conditionering: gedragingen aan elkaar koppelen (hond, belletje, eten)
➔ Bekrachtiging → gedrag (gedrag belonen bijvoorbeeld door complimenten te geven)
3. Cognitieve perspectief
→ Hoe wordt informatie waargenomen
→ Hoe wordt informatie verwerkt
- Interpreteren
- Denken
- Geheugen
- Perspectief op de mens als geheel
- Niet enkel een speelbal van externe prikkels
- Interne processen, zoals het onbewuste, vrije wil
- Temperament en karakter
4. Ontwikkelingsperspectief
- Nature (erfelijkheid) en Nurture (omgevingsfactoren)
- Bijvoorbeeld: ontwikkeling van diabetes of schizofrenie bij erfelijke aandacht + trauma in
de jeugd
- Invloed van het een op het ander
5. Socioculturele perspectief
- Invloed van cultuur en sociale omgeving
- Bias in wetenschappelijk onderzoek
- Iedereen kijkt op een andere manier naar ziekte.
- Bijvoorbeeld: stemmen in hoofd (Nederland: schizofrenie) (niet-Westerse landen: heilig)
Geheugen en herinnering
Breinleren: het leerproces kan worden gestimuleerd door rekening te houden met onze kennis
van het brein.
Neuroplasticiteit: door te leren verhogen we onze geheugencapaciteit en onze intelligentie.
Informatieverwerkingsmodel: cognitieve benadering van het geheugen dat beweert dat het
geheugen een interpretatief systeem is dat informatie opneemt en vervolgens bepaalde details
verwijdert en de rest in betekenisvolle patronen reorganiseert.
,Geheugen: informatieverwerkingssysteem dat constructief werkt om informatie te coderen, op
te slaan en weer terug te halen.
Drie essentiële functies van het geheugen:
1. Coderen: tijdens de elaboratie wordt de nieuwe informatie gekoppeld aan informatie die
al in je geheugen is opgeslagen.
2. Opslaan
3. Terughalen
Het geheugen op volgorde
Elk van deze drie geheugenstadia codeert en houdt herinneringen op een andere manier vast,
maar samen zorgen ze ervoor dat een sensorische ervaring wordt omgezet in een blijvend
geheugenspoor met een bepaald patroon of een bepaalde betekenis.
1. Sensorisch geheugen:
- Sensorische prikkels (visueel, auditief, tactief, olfactorisch en smaak).
- Mentaal filmdoek voor elke zintuigelijke informatie: aparte informatie.
- Deze informatie blijft hier maar kort hangen.
- Het sensorisch geheugen houdt veel meer informatie vast dan waar we bewust van zijn.
De werkelijke capaciteit van het sensorisch geheugen bestaat uit twaalf of meer items,
maar alle items op drie of vier na verdwijnen uit het sensorisch geheugen, voordat ze het
bewustzijn bereiken.
- Het sensorisch geheugen bestaat uit de snel vervagende sporen van stimuli in onze
zintuiglijke systemen.
2. Werkgeheugen (kortetermijngeheugen): koppeling aan materiaal uit het lange termijn
geheugen -> betekenis verlenen. Informatie bewerken en informatie verwerken.
- Informatie wordt maximaal 20 tot 30 seconden vastgehouden.
- Capaciteit: ongeveer zeven items.
- Handige buffer voor items die je maar even hoeft te onthouden.
- Hier spelen (denken) we ook met ideeën en beelden die we uit het langetermijngeheugen
hebben opgehaald.
- Door chuncking, repeteren en actief herhalen, kun je vaak meer dan zeven items in je
werkgeheugen opslaan.
Het werkgeheugen bestaat uit:
• De centrale bestuurder: distributiecentrum voor informatie.
• De fonologische lus: het werkgeheugen slaat verbale patronen in akoestische vorm op.
• Het schetsboek: codeert visuele beelden en mentale representaties van voorwerpen in
een ruimte.
• De episodische buffer: verbindt verschillende stukjes informatie in het werkgeheugen
met elkaar tot een coherente episode.
• De semantische buffer: taalverwerking
Theorie van verwerkingsniveaus: diepere verwerking zorgt ervoor dat nieuwe informatie aan
betekenis wint en dus beter herinnerd wordt.
3. Lange termijn geheugen: ontvangt informatie uit het werkgeheugen en slaat deze op in
betekenisvolle mentale categorieën. Actieve verwerking en concentratie is nodig om iets
in het lange termijn geheugen te laten komen.
- Enorm netwerk van onderling verbonden associaties.
- Bestaat uit procedureel geheugen (weten hoe/vaardigheden conditionering) en
declaratief geheugen (weten wat): semantisch (feiten/algemene kennis) en episodisch
(persoonlijke gebeurtenissen: wanneer was dat/hoe verliep dat?)
, Schema: cluster van kennis in het semantisch geheugen dat ons context geeft waarin we
gebeurtenissen kunnen begrijpen. Het kan een hulpmiddel zijn voor het declaratief
langetermijngeheugen, wanneer we proberen nieuwe informatie te begrijpen.
Infantiele amnesie: verschijnsel dat de meeste mensen zich gebeurtenissen voor hun derde
levensjaar moeilijk herinneren.
Dit komt door het gebrek aan taalvaardigheden, ontbreken van zelfbewustzijn en het ontbreken
van complexe schema’s als geheugensteuntje op die leeftijd.
Geheugenstoornissen:
1. Psychische aandoening
- Dissociatieve amnesie
- Herinneringen die zich opdringen
2. Lichamelijke ziekte/letsel
Anterograde amnesie: onvermogen nieuwe herinneringen te vormen.
Impliciete herinneringen: herinneringen die je gedrag kunnen beinvloeden zonder dat je daar
een bewust besef van hebt.
Expliciete herinneringen: je weet heel goed dat je over bepaalde informatie beschikt. Je weet
wat je weet.
Het semantisch geheugen bewaart zowel expliciete als impliciete informatie.
Om impliciete en expliciete herinneringen te kunnen terughalen, zijn goede aanwijzingen
(herinneringscues) nodig. Bijvoorbeeld; een bepaalde geur of een bepaalde emotie doet je
denken aan iets wat je eerder meegemaakt hebt.
Priming: methode die bestaat uit het aanbieden van cues die het terughalen van herinneringen
stimuleren zonder dat je dat beseft.
We onthouden meestal de betekenis, de essentie, in plaats van exacte details.
Ophalen: expliciete herinnering ophalen met behulp van minimale herinneringscues (open
vragen).
Herkenning: expliciete herinnering ophalen door te bepalen of je een stimulus wel of niet eerder
bent tegengekomen (gesloten vragen).
Principe van specifiteit van codering: dat je even tijd nodig hebt om iemand te herkennen,
omdat je de context niet met hem/haar in verband brengt (bijvoorbeeld: docent in de
supermarkt).
Stemmingscongruente herinnering: stemmingen beinvloeden wat we ons herinneren.
Prospectief geheugen: wanneer iemand zich moet herinneren dat hij een bepaalde handeling
moet uitvoeren.
De meeste problemen die we met ons geheugen hebben, ontstaan door een van de ‘zeven
zonden’ van het geheugen:
vluchtigheid, verstrooidheid (afdwalen), blokkades (puntje-van-de-tongfenomeen: maar niet
op iets kunnen komen), foutieve attributie (herinnering is gekoppeld aan de verkeerde tijd,
plaats of persoon), suggestibiliteit (misinformatie-effect: vertekening van het geheugen door
suggestieve informatie), bias (invloed van persoonlijke overtuigingen, attitudes en ervaringen op
herinneringen) en persistentie (geheugen werkt te goed).
Bias van zelfconsistentie: mensen beschouwen zichzelf niet graag als inconsistent, maar daar
houden we onszelf mee voor de gek.
Week 1. Inleiding in de psychologie, geheugen en herinneringen
Waarom is psychologie belangrijk in de verpleegkunde praktijk:
• Patiënten motiveren
• Afstemmen op de patiënt
• Omgaan met psychische problematiek
• Betrekken van belangrijke naasten
Stromingen binnen de psychologie
Vijf perspectieven:
1. Biologische perspectief
➔ Erfelijkheid
➔ Zenuwstelsel/ hormonale stelsel
Bijvoorbeeld decorumverlies bij dementie.
2. Behaviouristische perspectief
➔ Psychologie moet zich enkel richten op waarneembare gebeurtenissen
➔ Stimulus – respons
➔ Conditionering: gedragingen aan elkaar koppelen (hond, belletje, eten)
➔ Bekrachtiging → gedrag (gedrag belonen bijvoorbeeld door complimenten te geven)
3. Cognitieve perspectief
→ Hoe wordt informatie waargenomen
→ Hoe wordt informatie verwerkt
- Interpreteren
- Denken
- Geheugen
- Perspectief op de mens als geheel
- Niet enkel een speelbal van externe prikkels
- Interne processen, zoals het onbewuste, vrije wil
- Temperament en karakter
4. Ontwikkelingsperspectief
- Nature (erfelijkheid) en Nurture (omgevingsfactoren)
- Bijvoorbeeld: ontwikkeling van diabetes of schizofrenie bij erfelijke aandacht + trauma in
de jeugd
- Invloed van het een op het ander
5. Socioculturele perspectief
- Invloed van cultuur en sociale omgeving
- Bias in wetenschappelijk onderzoek
- Iedereen kijkt op een andere manier naar ziekte.
- Bijvoorbeeld: stemmen in hoofd (Nederland: schizofrenie) (niet-Westerse landen: heilig)
Geheugen en herinnering
Breinleren: het leerproces kan worden gestimuleerd door rekening te houden met onze kennis
van het brein.
Neuroplasticiteit: door te leren verhogen we onze geheugencapaciteit en onze intelligentie.
Informatieverwerkingsmodel: cognitieve benadering van het geheugen dat beweert dat het
geheugen een interpretatief systeem is dat informatie opneemt en vervolgens bepaalde details
verwijdert en de rest in betekenisvolle patronen reorganiseert.
,Geheugen: informatieverwerkingssysteem dat constructief werkt om informatie te coderen, op
te slaan en weer terug te halen.
Drie essentiële functies van het geheugen:
1. Coderen: tijdens de elaboratie wordt de nieuwe informatie gekoppeld aan informatie die
al in je geheugen is opgeslagen.
2. Opslaan
3. Terughalen
Het geheugen op volgorde
Elk van deze drie geheugenstadia codeert en houdt herinneringen op een andere manier vast,
maar samen zorgen ze ervoor dat een sensorische ervaring wordt omgezet in een blijvend
geheugenspoor met een bepaald patroon of een bepaalde betekenis.
1. Sensorisch geheugen:
- Sensorische prikkels (visueel, auditief, tactief, olfactorisch en smaak).
- Mentaal filmdoek voor elke zintuigelijke informatie: aparte informatie.
- Deze informatie blijft hier maar kort hangen.
- Het sensorisch geheugen houdt veel meer informatie vast dan waar we bewust van zijn.
De werkelijke capaciteit van het sensorisch geheugen bestaat uit twaalf of meer items,
maar alle items op drie of vier na verdwijnen uit het sensorisch geheugen, voordat ze het
bewustzijn bereiken.
- Het sensorisch geheugen bestaat uit de snel vervagende sporen van stimuli in onze
zintuiglijke systemen.
2. Werkgeheugen (kortetermijngeheugen): koppeling aan materiaal uit het lange termijn
geheugen -> betekenis verlenen. Informatie bewerken en informatie verwerken.
- Informatie wordt maximaal 20 tot 30 seconden vastgehouden.
- Capaciteit: ongeveer zeven items.
- Handige buffer voor items die je maar even hoeft te onthouden.
- Hier spelen (denken) we ook met ideeën en beelden die we uit het langetermijngeheugen
hebben opgehaald.
- Door chuncking, repeteren en actief herhalen, kun je vaak meer dan zeven items in je
werkgeheugen opslaan.
Het werkgeheugen bestaat uit:
• De centrale bestuurder: distributiecentrum voor informatie.
• De fonologische lus: het werkgeheugen slaat verbale patronen in akoestische vorm op.
• Het schetsboek: codeert visuele beelden en mentale representaties van voorwerpen in
een ruimte.
• De episodische buffer: verbindt verschillende stukjes informatie in het werkgeheugen
met elkaar tot een coherente episode.
• De semantische buffer: taalverwerking
Theorie van verwerkingsniveaus: diepere verwerking zorgt ervoor dat nieuwe informatie aan
betekenis wint en dus beter herinnerd wordt.
3. Lange termijn geheugen: ontvangt informatie uit het werkgeheugen en slaat deze op in
betekenisvolle mentale categorieën. Actieve verwerking en concentratie is nodig om iets
in het lange termijn geheugen te laten komen.
- Enorm netwerk van onderling verbonden associaties.
- Bestaat uit procedureel geheugen (weten hoe/vaardigheden conditionering) en
declaratief geheugen (weten wat): semantisch (feiten/algemene kennis) en episodisch
(persoonlijke gebeurtenissen: wanneer was dat/hoe verliep dat?)
, Schema: cluster van kennis in het semantisch geheugen dat ons context geeft waarin we
gebeurtenissen kunnen begrijpen. Het kan een hulpmiddel zijn voor het declaratief
langetermijngeheugen, wanneer we proberen nieuwe informatie te begrijpen.
Infantiele amnesie: verschijnsel dat de meeste mensen zich gebeurtenissen voor hun derde
levensjaar moeilijk herinneren.
Dit komt door het gebrek aan taalvaardigheden, ontbreken van zelfbewustzijn en het ontbreken
van complexe schema’s als geheugensteuntje op die leeftijd.
Geheugenstoornissen:
1. Psychische aandoening
- Dissociatieve amnesie
- Herinneringen die zich opdringen
2. Lichamelijke ziekte/letsel
Anterograde amnesie: onvermogen nieuwe herinneringen te vormen.
Impliciete herinneringen: herinneringen die je gedrag kunnen beinvloeden zonder dat je daar
een bewust besef van hebt.
Expliciete herinneringen: je weet heel goed dat je over bepaalde informatie beschikt. Je weet
wat je weet.
Het semantisch geheugen bewaart zowel expliciete als impliciete informatie.
Om impliciete en expliciete herinneringen te kunnen terughalen, zijn goede aanwijzingen
(herinneringscues) nodig. Bijvoorbeeld; een bepaalde geur of een bepaalde emotie doet je
denken aan iets wat je eerder meegemaakt hebt.
Priming: methode die bestaat uit het aanbieden van cues die het terughalen van herinneringen
stimuleren zonder dat je dat beseft.
We onthouden meestal de betekenis, de essentie, in plaats van exacte details.
Ophalen: expliciete herinnering ophalen met behulp van minimale herinneringscues (open
vragen).
Herkenning: expliciete herinnering ophalen door te bepalen of je een stimulus wel of niet eerder
bent tegengekomen (gesloten vragen).
Principe van specifiteit van codering: dat je even tijd nodig hebt om iemand te herkennen,
omdat je de context niet met hem/haar in verband brengt (bijvoorbeeld: docent in de
supermarkt).
Stemmingscongruente herinnering: stemmingen beinvloeden wat we ons herinneren.
Prospectief geheugen: wanneer iemand zich moet herinneren dat hij een bepaalde handeling
moet uitvoeren.
De meeste problemen die we met ons geheugen hebben, ontstaan door een van de ‘zeven
zonden’ van het geheugen:
vluchtigheid, verstrooidheid (afdwalen), blokkades (puntje-van-de-tongfenomeen: maar niet
op iets kunnen komen), foutieve attributie (herinnering is gekoppeld aan de verkeerde tijd,
plaats of persoon), suggestibiliteit (misinformatie-effect: vertekening van het geheugen door
suggestieve informatie), bias (invloed van persoonlijke overtuigingen, attitudes en ervaringen op
herinneringen) en persistentie (geheugen werkt te goed).
Bias van zelfconsistentie: mensen beschouwen zichzelf niet graag als inconsistent, maar daar
houden we onszelf mee voor de gek.