Europese Economische integratie
Alle onderwerpen van deze samenvatting:
Hoorcollege 1: aanloop tot integratie
Aanloop tot de EEG (Europese Economische Gemeenschap) en later
de EU.
Na de Tweede Wereldoorlog en de aanloop naar integratie
- Marshallhulp (1947-1951): Amerikaans hulpprogramma dat
financiële steun bood aan Europese landen voor de
wederopbouw na WO II.
o Belangrijkste doelen:
Liquiditeit verschaffen voor Europese economieën
om Amerikaanse producten te importen.
Economische stabiliteit en infrastructuur herstellen.
Voorkomen opkomst communisme in Europa.
o Kredieten: naast de Marshallhulp konden landen
kredieten krijgen om hun economische activiteiten te
financieren.
, Deze kredieten hielpen bij het investeren in
infrastructuur en industrie, essentieel voor
wederopbouw.
- OESO (1948): Organisatie voor Economische Samenwerking en
Ontwikkeling.
o Opgericht om economische samenwerking tussen landen
te bevorderen, met name in de nasleep van de oorlog.
o Verdeling van de Marshallhulp coördineren.
o Intergouvernementeel
- Europese Betalingsunie (1950-1958): deze unie
vergemakkelijkt betalingen tussen de Europese lidstaten.
Landen konden handelsoverschotten en -tekorten verrekenen.
o Doel: liquiditeit creëren voor Europese handel om handel
te vergemakkelijken.
- Oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en
Staal (EGKS, 1952-2002): gezamenlijke beheersing van de
kolen- en staalindustrie.
o Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux-landen namen
deel.
o Supranationale samenwerking: landen geven deel van
hun soevereiniteit af voor gemeenschappelijke belangen.
o Verdrag van Parijs.
Gevolg: Europese Economische Gemeenschap opgericht
(1957)
o De EEG maakte een bredere economische samenwerking
en integratie mogelijk tussen 6 lidstaten (Benelux,
Duitsland, Frankrijk en Italië).
o Stond beschreven in het Verdrag van Rome, afbouw
handelsbelemmeringen en economische samenwerking &
handel/groei.
o Supranationaal, UK gaf voorkeur voor
intergouvernementeel en nam niet deel.
, o Richtte zich op de oprichting van een gezamenlijke markt
waarbij er sprake was van 4 vrijheden:
1. Vrij verkeer van goederen
2. Vrij verkeer van diensten
3. Vrij verkeer van mensen
4. Vrij verkeer kapitaal.
- Europese Eenheidsakte (1986)
o Interne markt creëren en bevorderen van de 4 vrijheden.
o Niet alleen economische, maar ook politieke
samenwerking.
o Bij vrij verkeer van kapitaal toevoegingen werden gedaan.
Wegnemen kapitaalbelemmeringen
Zodat individuen/bedrijven vrijelijk konden
investeren en sparen in andere lidstaten.
Vrijgeven grensoverschrijdende toetredingen
Wederzijdse erkenning
Nationaal toezicht.
- Verdrag van Maastricht (1992): aanzet tot het realiseren van
een monetaire Unie door de invoering van de Euro als
gezamenlijke munteenheid. Leidde tot oprichting van de EU.
Geeft de aanzet tot de Europese monetaire eenheid.
o 3 pijler structuur:
1. Economische samenwerking
2. Gemeenschappelijk buitenlands en
veiligheidsbeleid
3. Politionele en justitiële samenwerking
Door de 3 pijlers werd samenwerking op verschillende terreinen
mogelijk, wat leidde tot een meer geïntegreerde en
samenwerkende EU.
Ook oprichting ECB
Ontstaan Stabiliteits- en Groeipact (1997):
- Begrotingstekort maximaal 3% van het BBP.
, - Staatsschuld maximaal 60% van het BBP.
Uitbreidingen en Verdere Integratie (1970-2000):
- In 1970 werd de EEG uitgebreid met nieuwe lidstaten, zoals het
VK, Ierland en Denemarken -> Deze uitbreiding leidde tot
verdere samenwerking op economisch en politiek vlak.
o Je ziet al gelijk beleidswijzigingen.
o Engeland zou veel moeten betalen en weinig krijgen uit
het budget.
o Engelsen hadden een kleine landbouwsector en zouden
relatief weinig geld terugkrijgen. Dus in de
financieringsstructuur moest iets veranderen -> nieuwe
begrotingsregels.
Eigen middelen (o.a. tarieven)
De EEG kreeg geld uit invoerrechten en
landbouwheffingen op producten van buiten
de EEG.
Dit betekende dat een deel van de EU-
begroting kwam uit handel met niet-lidstaten.
Aandeel BTW (1%)
Elk land moest een klein deel (1% van de
nationale btw-opbrengsten) afstaan aan de
EEG.
Dit zorgde voor een stabiele, eerlijke bijdrage
per land, afhankelijk van de economie.
- In 1980 volgden nog meer uitbreidingen, waaronder
Griekenland (1981) en Spanje en Portugal (1986). De focus
verschoof in deze periode ook naar regionaal beleid om
economische verschillen binnen de Unie te verkleinen.
- In de jaren 90 werd het Verdrag van Maastricht gevolgd door
verdere uitbreidingen (1995: Oostenrijk, Finland en Zweden).
o Waren rijke landen, vereisten weinig aanpassingen.
Alle onderwerpen van deze samenvatting:
Hoorcollege 1: aanloop tot integratie
Aanloop tot de EEG (Europese Economische Gemeenschap) en later
de EU.
Na de Tweede Wereldoorlog en de aanloop naar integratie
- Marshallhulp (1947-1951): Amerikaans hulpprogramma dat
financiële steun bood aan Europese landen voor de
wederopbouw na WO II.
o Belangrijkste doelen:
Liquiditeit verschaffen voor Europese economieën
om Amerikaanse producten te importen.
Economische stabiliteit en infrastructuur herstellen.
Voorkomen opkomst communisme in Europa.
o Kredieten: naast de Marshallhulp konden landen
kredieten krijgen om hun economische activiteiten te
financieren.
, Deze kredieten hielpen bij het investeren in
infrastructuur en industrie, essentieel voor
wederopbouw.
- OESO (1948): Organisatie voor Economische Samenwerking en
Ontwikkeling.
o Opgericht om economische samenwerking tussen landen
te bevorderen, met name in de nasleep van de oorlog.
o Verdeling van de Marshallhulp coördineren.
o Intergouvernementeel
- Europese Betalingsunie (1950-1958): deze unie
vergemakkelijkt betalingen tussen de Europese lidstaten.
Landen konden handelsoverschotten en -tekorten verrekenen.
o Doel: liquiditeit creëren voor Europese handel om handel
te vergemakkelijken.
- Oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en
Staal (EGKS, 1952-2002): gezamenlijke beheersing van de
kolen- en staalindustrie.
o Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux-landen namen
deel.
o Supranationale samenwerking: landen geven deel van
hun soevereiniteit af voor gemeenschappelijke belangen.
o Verdrag van Parijs.
Gevolg: Europese Economische Gemeenschap opgericht
(1957)
o De EEG maakte een bredere economische samenwerking
en integratie mogelijk tussen 6 lidstaten (Benelux,
Duitsland, Frankrijk en Italië).
o Stond beschreven in het Verdrag van Rome, afbouw
handelsbelemmeringen en economische samenwerking &
handel/groei.
o Supranationaal, UK gaf voorkeur voor
intergouvernementeel en nam niet deel.
, o Richtte zich op de oprichting van een gezamenlijke markt
waarbij er sprake was van 4 vrijheden:
1. Vrij verkeer van goederen
2. Vrij verkeer van diensten
3. Vrij verkeer van mensen
4. Vrij verkeer kapitaal.
- Europese Eenheidsakte (1986)
o Interne markt creëren en bevorderen van de 4 vrijheden.
o Niet alleen economische, maar ook politieke
samenwerking.
o Bij vrij verkeer van kapitaal toevoegingen werden gedaan.
Wegnemen kapitaalbelemmeringen
Zodat individuen/bedrijven vrijelijk konden
investeren en sparen in andere lidstaten.
Vrijgeven grensoverschrijdende toetredingen
Wederzijdse erkenning
Nationaal toezicht.
- Verdrag van Maastricht (1992): aanzet tot het realiseren van
een monetaire Unie door de invoering van de Euro als
gezamenlijke munteenheid. Leidde tot oprichting van de EU.
Geeft de aanzet tot de Europese monetaire eenheid.
o 3 pijler structuur:
1. Economische samenwerking
2. Gemeenschappelijk buitenlands en
veiligheidsbeleid
3. Politionele en justitiële samenwerking
Door de 3 pijlers werd samenwerking op verschillende terreinen
mogelijk, wat leidde tot een meer geïntegreerde en
samenwerkende EU.
Ook oprichting ECB
Ontstaan Stabiliteits- en Groeipact (1997):
- Begrotingstekort maximaal 3% van het BBP.
, - Staatsschuld maximaal 60% van het BBP.
Uitbreidingen en Verdere Integratie (1970-2000):
- In 1970 werd de EEG uitgebreid met nieuwe lidstaten, zoals het
VK, Ierland en Denemarken -> Deze uitbreiding leidde tot
verdere samenwerking op economisch en politiek vlak.
o Je ziet al gelijk beleidswijzigingen.
o Engeland zou veel moeten betalen en weinig krijgen uit
het budget.
o Engelsen hadden een kleine landbouwsector en zouden
relatief weinig geld terugkrijgen. Dus in de
financieringsstructuur moest iets veranderen -> nieuwe
begrotingsregels.
Eigen middelen (o.a. tarieven)
De EEG kreeg geld uit invoerrechten en
landbouwheffingen op producten van buiten
de EEG.
Dit betekende dat een deel van de EU-
begroting kwam uit handel met niet-lidstaten.
Aandeel BTW (1%)
Elk land moest een klein deel (1% van de
nationale btw-opbrengsten) afstaan aan de
EEG.
Dit zorgde voor een stabiele, eerlijke bijdrage
per land, afhankelijk van de economie.
- In 1980 volgden nog meer uitbreidingen, waaronder
Griekenland (1981) en Spanje en Portugal (1986). De focus
verschoof in deze periode ook naar regionaal beleid om
economische verschillen binnen de Unie te verkleinen.
- In de jaren 90 werd het Verdrag van Maastricht gevolgd door
verdere uitbreidingen (1995: Oostenrijk, Finland en Zweden).
o Waren rijke landen, vereisten weinig aanpassingen.