Bij het schrijven van deze samenvatting is het uitgangspunt dat men het boek : Bedrijfsethiek en MVO
voor HBO reeds gelezen heeft.
Hoofdstuk 1: ethiek
Ethiek gaat over goed en kwaad in het menselijk handelen. Ethiek en moraal worden vaak door elkaar
gebruikt. Beide begrippen verwijzen naar waarden en normen, en de vraag hoe mensen horen te leven.
Ethiek is een bepaalde manier van naar de werkelijkheid kijken. Een optiek is de manier waarop je naar
de werkelijkheid kijkt. Elke optiek heeft een eigen aandachtsveld. Een standpunt is een mening of visie.
(Esthetische optiek = wat is mooi en wat is lelijk).
Ethische optiek = mensen behoren goed te handelen. Bij de ethische optiek stellen we onszelf de vraag:
is ons handelen menswaardig te noemen?
Een normatieve optiek = de ethische optiek stelt niet alleen vragen, maar houdt ons ook een norm voor,
en dat is de volgende: wij behoren moreel goed te handelen. Vandaar dat wordt gesproken over een
normatieve optiek.
Een praktische optiek = de ethische optiek is ook een praktische optiek: wij behoren het goede in de
praktijk te brengen. Het goede behoort gedaan te worden.
Ethische optiek:
Het goede (menswaardigheid);
Behoren (normatief);
Doen (in de praktijk brengen).
Waarde: een opvatting over wat uiteindelijk belangrijk en nastrevenswaardig is. Collectieve
voorstellingen binnen een maatschappij of groepering over wat goed, juist en daarom (in het algemeen
belang) nastrevenswaardig is. Fundamentele principes.
Instrumentele waarde = een waarde die geen doel in zichzelf is, maar in dienst staat van een andere,
hogere waarde.
Intrinsieke waarde = een waarde in zichzelf, zonder verder extern doel.
Norm = een bepaalde gedragsregel. Collectieve, meer of minder bindende, verwachtingen ten aanzien
van het handelen of niet handelen onder bepaalde omstandigheden. Het gaat erom hoe het concrete
gedrag dient te worden vorm gegeven. gedragsverwachtingen.
Relationele, professionele en publieke normen. (blz. 16)
, Cultuur = het min of meer samenhangende geheel van voorstellingen, opvattingen, waarden en normen,
die mensen zich als lid van hun maatschappij door middel van leerprocessen hebben verworven, dat in
hoge mate hun gedrag beïnvloedt en waardoor zij zich onderscheiden van de leden van andere
maatschappijen. (Hofstede = culturele mentale programmering)
Ethische theorieën:
Gevolgenethiek = het gaat primair om de gevolgen van de daad en niet om de bedoelingen die
men heeft met de handeling;
Beginselethiek = er zijn een of meerdere ethische beginselen die een rol dienen te spelen bij de
beoordeling van een ethisch probleem. Er dient recht te worden gedaan aan een bepaald
beginsel; (bijvoorbeeld het recht op gezondheid).
Deugdenethiek = gaat ervan uit dat men een goed mens moet zijn, deugden worden
belichaamd in karaktereigenschappen.
Hedonisme = een ethische theorie die er vanuit gaat dat die beslissing of handeling ethisch juist is die in
zijn gevolgen het meeste genot oplevert. ( onderdeel van gevolgenethiek)
Eudenisme = een ethische theorie die er vanuit gaat dat die beslissing of handeling ethisch juist is die in
zijn gevolgen het meeste geluk oplevert. Eudemonia (gelukzaligheid). Geluk is het hoogste goed. Alles
wat geluk van mensen bevorderd, is goed.
Utilisme = een ethische theorie die er van uit gaat dat die handeling of beslissing ethisch juist is die in
zijn gevolgen het meeste nut oplevert. In de ogen van Utilisten bevorderd nuttigheid uiteindelijk het
geluk van alle mensen.
De ethiek van Kant
De ethiek van Emanuel Kant staat bekend als de plichtenethiek. Niet beoordelen naar aanleiding van een
handeling of het resultaat van een handeling, maar om de goede wil.
Ethiek veronderstelt vrijheid;
Een goede bedoeling;
Handelen uit plichtsbesef;
Het principe van de menselijke waardigheid;
Een praktische wenk.