Praktische info:
Duur examen: 2u30
Soorten vragen:
3 open vragen elk op 10 punten
o 1 van de 3 is sowieso een persartikel waarbij je commentaar moet geven
Vb. welke elementen uit de cursus vindt u terug in dat persartikel (begrippen,
concepten, discussie)
o Andere 2 gaan over grote concepten zoals bureaucratie, NPM, scenario’s
4 tal meer technische vragen elk op 1 punt
Sluiten aan bij zelftest
Begrippen die u kort moet toelichten
Vb. kabinet en een beleidsraad. Wat is dat? Wat is het verschil?
8 tal meerkeuzevragen telkens op 0,5 punten
Examenvragen uit lessen met antwoorden
1. Systeembenadering van Easton
Demands
Decisions
Inputs The political system Outputs
Support
Feedback (outcomes)
Output is niet noodzakelijk gelijk aan outcome
Outputs die inwerken op omgevind = outcome
Political system is volgens Easton een ‘black box’
Omgevingsfactoren die inwerken op organisatie en activiteiten in/van de publieke sector:
- Politiek – institutionele aspecten
- Rechtsstaat: de juridische omgeving
- Brede maatschappelijke omgeving (sociaal, economisch, klimaat, demografisch,
geografisch…)
, Legitiem indien er vertrouwen is:
Beslissingen worden aanvaard (output)
Burgers zullen info delen (input)
Legitimiteit:
1) Inputlegitimiteit (inclusief en representatief) = iedereen gehoord? En juist gehoord?
2) Throughputlegitimiteit (processen)
3) Outputlegitimiteit (producten)
Voice = signalen van burgers, individueel en/of collectief
Exit = keuze! = de band met een publieke organisatie wordt doorgeknipt (vb. veranderen van
kinderopvang)
o Threat of exit = het dreigement om tot exit over te gaan = vorm van voice
o Boycot = tijdelijke exit gericht op het vertrouwen van het beleid van de organisatie
Loyalty = bepaalt voice en exit = band met de overheid blijft behouden, zelfs al is er onvrede
2. Pas de definitie van bestuurskunde toe op de NMBS
3. Identificeren van soorten organisaties (1 of 2 MCvragen)
4. Leg het begrip externaliteiten uit
De marktwerking verloopt vaak imperfect omdat mensen, organisaties en bedrijven in hun
beslissingen alleen kijken naar kosten en baten voor zichzelf en niet voor de ruimere
samenleving. Daarom is overheidsoptreden nodig.
- Tegengaan van negatieve externaliteiten (vb. impact van bedrijven op het milieu, schadelijke
gevolgen van roken, auto’s en luchtvervuiling…)
- Stimuleren van positieve externaliteiten (vb. onderwijs heeft sociale en economische externe
effecten)
5. Welk soort goed is onderwijs? OF stelling: onderwijs is een zuiver publiek
goed, eens/oneens? Licht toe
Onderwijs is een quasi-publiek goed. Door belastingen is onderwijs betaalbaar bij ons en is er dus
een kleine mate van uitsluiting.
OF oneens: onderwijs is geen zuiver publiek goed, er is uitsluiting mogelijk.