Hoofdstuk 1
Inleiding
Hoofdstuk 2
1)
Colloïden Kristalloïden
Oedeemonttrekkend Oedeemvormend
Stollingsstoornissen veroorzaken Bij dehydratatie
Macromoleculen Micromoleculen
2) Hypertonische oplossing
-> een cel in een hypertonisch milieu zal trachten de concentratie aan beide zijden van haar celwand
gelijk te maken, gevolg de cel zal verschrompelen
3)
- hypotonische oplossing < 300mEq/L
- isotonische oplossing +- 300mEq/L
- hypertonische oplossing > 300mEq/L
4) Koolhydraten
-> het anabolisme (samenbrengen van celmateriaal) van de toegediende aminozuren toelaten
5) Stelling 1&2 zijn juist
6)
Isotone vloeistof Hypotone vloeistof (na Hypertone vloeistof
oplossing medicatie)
I.V. I.V. I.V.
S.C. S.C.
I.M. I.M.
7)
1L 10% over 12 uur -> 24 uur
100g op 1L 200 op 2L
*4 *4
400Kcal 800Kcal
8) Glucose
-> door toedienen van glucose en insuline treedt een K-schift op naar de intracellulaire ruimte
waardoor de plasmaspiegel daalt
9) pH verandering
,10)
- langzaam toedienen -> max 1L/24h
- samen met suiker toedienen
- langs centraal veneuze katheter
- steeds luchtfilter
11) Vetoplossingen
12) Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
13)
- hartmannoplosing -> pH doen dalen
- Nabicarbonaat -> pH doen stijgen
14) Aminozuren- oplossing (eiwitoplossing)
-> kans op flebitis en tromboflebitis
15) Dyspneu
16) Totaal 2800ml
17) GIK infuus stoppen -> bloedproducten niet mengen met glucose
18) 8000/180= 44.44…drup/min
19) 25ml
20) (500X20)/(4X60) = 41.66…
21) 9 zakken
(4500X20)/(48X60) = 31.25
22) 5.5 flessen -> 6 flessen
(2750X20)/(24X60) = 38.19
23) (1000X20)/(12X60) = 26.66….
24) 6 flessen
(3000X20)/(24X60) = 41.66…
, Hoofdstuk 3
1) Verschijnselen van verwardheid
2) stelling 1 & 2 zijn correct
3) antagonisten
4) eenzelfde
5) sympatische zenuwstelsel
6) parasympatisch
7) beide (stress en inspanning)
8) bèta-1-receptoren
9) bèta-2-receptoren
10) waar
11) stress
12) stimulatie
13) parasympathiolyticum
14) sympaticomometicum
15) perifere vasodilatatie
16) stimuleren de vernauwing van bloedvaten, ingewanden en slijmvliezen
17) hartspierweefsel en glad spierweefsel
18) Bèta-2-adrenerge receptoren op het hart
19) ouderen hebben meer acetylcholine
20) (net als vraag 1) verschijnselen van verwardheid