Hoofdstuk 5 - Erfelijkheid
(Oranje = aantekeningen, zwart is samenvatting)
Hoofdletter = dominant, kleine letter = recessief
Meiose: het maken van geslachtscellen
Gen = alle erfelijke info voor 1 eigenschap
Allel = variant van een gen
Bb = heterozygoot, BB/bb = homozygoot
Genoom = al je erfelijke informatie bij elkaar ( alle basen )
Fenotype = hoe je eruit ziet, gevolg van genotype. Milieu + genotype = fenotype
Haplotype = allelen op 1 chromosoom
Stappenplan
1. Dominantie bepalen ( Als twee dezelfde ouders een ander kind krijgen, dan is het kind
recessief)
2. Genotype
3. Kruissingsschema
4. Antwoord
X-chromosomaal = een eigenschap die alleen door het x-chromosoom doorgegeven kan worden.
Als pa dominant is, zijn alle dochters gezond
Als ma homozygoot recessief is, zijn al haar zonen ook recessief.
Co-dominant= allebei de allelen zijn dominant
Intermediair = het zit ertussenin
5.1
Hoe je eruit ziet (fenotype) wordt bepaald door je DNA (genotype) en je milieu en levensstijl. Al je
DNA samen is jouw genoom. DNA bevat genen. Mutaties kunnen leiden tot verandering in het DNA.
Varianten van een gen zijn allelen. De combinatie waarin de allelen voorkomen samen op een
chromosoom is het haplotype van het chromosoom.
Cholesterol
Cholesterol komt via vet voedsel in je bloed. Het bloed vervoert het hydrofobe cholesterol verpakt in
blaasjes. Voor het opnemen van die blaasjes gebruiken cellen speciale receptoren. Die maken de
endocytose van de blaasjes mogelijk. (Endocytose = opname van deeltjes door afsnoering van een
stukje van het celmembraan)
5.2
Een koppel van chromosomen zijn homoloog: ze zijn gelijk aan elkaar en bevatten informatie over
dezelfde onderwerpen. Onderling verschillen alle paren in groote en de plaats van het centromeer.
Door kleurstoffen ontstaat er een uniek bandenpatroon. Analisten gebruiken voor onderzoek vaak
foto’s van chromosomen uit de metafase van de mitose. Het karyotype (weergave van aantal
chromosomen in de kern) wordt bepaald door de chromosomen in een karyogram te plaatsen. Je
(Oranje = aantekeningen, zwart is samenvatting)
Hoofdletter = dominant, kleine letter = recessief
Meiose: het maken van geslachtscellen
Gen = alle erfelijke info voor 1 eigenschap
Allel = variant van een gen
Bb = heterozygoot, BB/bb = homozygoot
Genoom = al je erfelijke informatie bij elkaar ( alle basen )
Fenotype = hoe je eruit ziet, gevolg van genotype. Milieu + genotype = fenotype
Haplotype = allelen op 1 chromosoom
Stappenplan
1. Dominantie bepalen ( Als twee dezelfde ouders een ander kind krijgen, dan is het kind
recessief)
2. Genotype
3. Kruissingsschema
4. Antwoord
X-chromosomaal = een eigenschap die alleen door het x-chromosoom doorgegeven kan worden.
Als pa dominant is, zijn alle dochters gezond
Als ma homozygoot recessief is, zijn al haar zonen ook recessief.
Co-dominant= allebei de allelen zijn dominant
Intermediair = het zit ertussenin
5.1
Hoe je eruit ziet (fenotype) wordt bepaald door je DNA (genotype) en je milieu en levensstijl. Al je
DNA samen is jouw genoom. DNA bevat genen. Mutaties kunnen leiden tot verandering in het DNA.
Varianten van een gen zijn allelen. De combinatie waarin de allelen voorkomen samen op een
chromosoom is het haplotype van het chromosoom.
Cholesterol
Cholesterol komt via vet voedsel in je bloed. Het bloed vervoert het hydrofobe cholesterol verpakt in
blaasjes. Voor het opnemen van die blaasjes gebruiken cellen speciale receptoren. Die maken de
endocytose van de blaasjes mogelijk. (Endocytose = opname van deeltjes door afsnoering van een
stukje van het celmembraan)
5.2
Een koppel van chromosomen zijn homoloog: ze zijn gelijk aan elkaar en bevatten informatie over
dezelfde onderwerpen. Onderling verschillen alle paren in groote en de plaats van het centromeer.
Door kleurstoffen ontstaat er een uniek bandenpatroon. Analisten gebruiken voor onderzoek vaak
foto’s van chromosomen uit de metafase van de mitose. Het karyotype (weergave van aantal
chromosomen in de kern) wordt bepaald door de chromosomen in een karyogram te plaatsen. Je