Baltus Basiskennis Aardrijkskunde
3.1 Het weer
Atmosfeer / dampkring = luchtlaag rondom de aarde van 70 km dik
Meeste lucht is bij het aardoppervlak.
Het weer aan het aardoppervlak wordt beïnvloed door de eerste 10-15 km van de
dampkring.
Belangrijkste elementen van het weer: Temperatuur, neerslag, wind.
3.1.1 De temperatuur op aarde
Bepalend voor de temperatuur:
- breedteligging
- samenstelling aardoppervlak
- hoogteligging
- zeestromen en windrichtingen
- de ligging van gebergten
Grootste verschillen in het aardoppervlak: Water- of landoppervlakken.
Land wordt snel opgewarmd. Zeewater duurt veel langer, omdat het zeewater ook
voortdurend zich mengt en het is een grotere massa om verwarmd te worden. Dit duurt
enkele maanden. De zee duurt wel langer om weer af te koelen, land koelt sneller af.
Hoogteligging bepaalt de temperatuur:
De zon verwarmt het aardoppervlak en vervolgens moet de opgewarmde lucht naar boven in
de berg stijgen. Hoe verder af je van het aardoppervlak bent, hoe kouder de lucht is.
0.8 C per 100 meter daalt de temperatuur.
In de dalen: loofbomen
In de bergen: naaldbomen.
Waar de naaldbomen ophouden: boomgrens. Hierna is het te koud voor bomen om te
groeien. Hierna nog rotsen en struiken. Hier weer boven sneeuw: dit noem je de
sneeuwgrens. Zelfs in de zomer ligt er sneeuw.
West-Europa:
Noorderwind is relatief koud, zuiderwind is relatief warm.
In de winter is de aflandige wind (wind vanaf land richting zee) uit het oosten koud, omdat
het landoppervlak in de winter afkoelt.
In de zomer is de aanlandige wind (wind vanaf de zee richting het land) vanuit het oosten
warm, omdat de zee dan nog niet helemaal is afgekoeld.
1 Lucht van de oceaan: koel en nat
2 Lucht uit poolgebied: erg koud, sneeuw in de winter
3 Continentale lucht: koud en droog in de winter, warm en droog in de zomer
4 Continentale lucht uit de tropen: warm en droog in de winter, heet en droog in de zomer
5 Oceanische lucht uit de tropen: warm en nat
Ligging van gebergten
Hooggebergte kan luchtstromen onderbreken of afbuigen.
3.1 Het weer
Atmosfeer / dampkring = luchtlaag rondom de aarde van 70 km dik
Meeste lucht is bij het aardoppervlak.
Het weer aan het aardoppervlak wordt beïnvloed door de eerste 10-15 km van de
dampkring.
Belangrijkste elementen van het weer: Temperatuur, neerslag, wind.
3.1.1 De temperatuur op aarde
Bepalend voor de temperatuur:
- breedteligging
- samenstelling aardoppervlak
- hoogteligging
- zeestromen en windrichtingen
- de ligging van gebergten
Grootste verschillen in het aardoppervlak: Water- of landoppervlakken.
Land wordt snel opgewarmd. Zeewater duurt veel langer, omdat het zeewater ook
voortdurend zich mengt en het is een grotere massa om verwarmd te worden. Dit duurt
enkele maanden. De zee duurt wel langer om weer af te koelen, land koelt sneller af.
Hoogteligging bepaalt de temperatuur:
De zon verwarmt het aardoppervlak en vervolgens moet de opgewarmde lucht naar boven in
de berg stijgen. Hoe verder af je van het aardoppervlak bent, hoe kouder de lucht is.
0.8 C per 100 meter daalt de temperatuur.
In de dalen: loofbomen
In de bergen: naaldbomen.
Waar de naaldbomen ophouden: boomgrens. Hierna is het te koud voor bomen om te
groeien. Hierna nog rotsen en struiken. Hier weer boven sneeuw: dit noem je de
sneeuwgrens. Zelfs in de zomer ligt er sneeuw.
West-Europa:
Noorderwind is relatief koud, zuiderwind is relatief warm.
In de winter is de aflandige wind (wind vanaf land richting zee) uit het oosten koud, omdat
het landoppervlak in de winter afkoelt.
In de zomer is de aanlandige wind (wind vanaf de zee richting het land) vanuit het oosten
warm, omdat de zee dan nog niet helemaal is afgekoeld.
1 Lucht van de oceaan: koel en nat
2 Lucht uit poolgebied: erg koud, sneeuw in de winter
3 Continentale lucht: koud en droog in de winter, warm en droog in de zomer
4 Continentale lucht uit de tropen: warm en droog in de winter, heet en droog in de zomer
5 Oceanische lucht uit de tropen: warm en nat
Ligging van gebergten
Hooggebergte kan luchtstromen onderbreken of afbuigen.