Pedagogiek:
4 oriëntatieniveaus van pedagogisch besef:
1. Egocentrische oriëntatie
- Ouder projecteert eigen behoeften op het kind
- Ouder voedt op vanuit zijn eigen wensen en behoeften
- Vb: Ouder wilde profvoetballer worden, kind moet nu profvoetballer worden (kind wil eigenlijk
niet)
2. Conventionele oriëntatie
- Kind wordt begrepen vanuit de algemeenheden die bestaan rond kinderen
Hebben betrekking op cultuur waarin hij opgroeit
- Vb: ‘Christelijk geloof: vaders wil is wet’ of ‘kind mag volwassenen niet tegenspreken’
3. Subjectief-individualistische oriëntatie
- Ouder probeert de behoefte van het kind te bevredigen binnen de context waarin de
opvoedrelatie zich afspeelt
- Ouder heeft oog voor uniciteit (uniek zijn)
- Vb: Kind heeft hulp nodig bij het aangaan van vriendschapsrelaties en de ouder stimuleert hem
om anderen thuis uit te nodigen
4. Interactieve oriëntatie
- Ouder zoekt naar evenwicht tussen zijn eigen behoeften en die van het kind
- Ouder is ervan op de hoogte dat kind veranderingen doormaakt (ouder en kind groeien in hun
rol)
1e twee kunnen zorgen voor negatieve ontwikkelingsuitkomst
Laatste 2 kunnen zorgen voor positieve ontwikkelingsuitkomst
Ontwikkeling Baby-/peutertijd (0-2 jaar)
Psychologisch:
Fysiologische zelfregulatie lichamelijk positief ontwikkelen (eten, drinken, verzorging)
- 0-2 jaar basis voor veilige hechting
- Ouder moet sensitief en responsief reageren
Cognitief:
- Verhoogde motoriek einde van het eerste levensjaar
- Spraakontwikkeling
Sensomotorisch periode Kind reageert voornamelijk motorisch op sensorische indrukken
(zintuigelijk waargenomen)
, Sociaal-emotioneel:
- ‘Nee-zeg fase’ koppigheidsfase/peuterpubertijd
- Kind verkent grenzen en probeert zelfstandig te worden door ouders los te laten
- Frustratie en angst (stemmingswisselingen)
- Ontdekking geslachtsverschillen
Opvoedingsopgave:
- Veilige hechting (vertrouwdheid)
- Effectief communiceren, consequent
- Goed voorbeeld zijn (imitatiegedrag kind
Ontwikkeling Peuter-/kleutertijd (2-4 jaar)
Psychologisch:
- Eigenheid ontwikkelen
- Representationele vaardigheden eigen maken:
Kind leert zich iets voor te stellen dat er niet (meer) is (interiorisatie)
- Veel imitatie
Cognitief:
Preoperationele stadium kind kan zich dingen voorstellen zonder dat het er werkelijk is
- Accommodatie = Leren van voorbeelden uit omgeving (ww vervoegen)
- Assimilatie = nieuw verworven kennis toegepast op andere gebieden
Sociaal-emotioneel:
- Samen spelen en delen
- Niet altijd je zin krijgen
- Sekse-specifiek te gedragen
Opvoedingsopgave:
- Toezien op cognitieve ontwikkeling van het kind (Vygotskiaanse benadering)
- Creëren mogelijkheden voor het kind (experimenteren) (wel duidelijke regels)
- Voorlezen, gesprekken, spelletjes
Kindgerichte/Autoritatieve ouder
Ouder biedt kind mogelijkheid om te experimenteren binnen de aangeboden kaders.
Duidelijke regels maar ook uitleg geven. (positieve uitkomst)
Oudergerichte/Autoritaire ouder
4 oriëntatieniveaus van pedagogisch besef:
1. Egocentrische oriëntatie
- Ouder projecteert eigen behoeften op het kind
- Ouder voedt op vanuit zijn eigen wensen en behoeften
- Vb: Ouder wilde profvoetballer worden, kind moet nu profvoetballer worden (kind wil eigenlijk
niet)
2. Conventionele oriëntatie
- Kind wordt begrepen vanuit de algemeenheden die bestaan rond kinderen
Hebben betrekking op cultuur waarin hij opgroeit
- Vb: ‘Christelijk geloof: vaders wil is wet’ of ‘kind mag volwassenen niet tegenspreken’
3. Subjectief-individualistische oriëntatie
- Ouder probeert de behoefte van het kind te bevredigen binnen de context waarin de
opvoedrelatie zich afspeelt
- Ouder heeft oog voor uniciteit (uniek zijn)
- Vb: Kind heeft hulp nodig bij het aangaan van vriendschapsrelaties en de ouder stimuleert hem
om anderen thuis uit te nodigen
4. Interactieve oriëntatie
- Ouder zoekt naar evenwicht tussen zijn eigen behoeften en die van het kind
- Ouder is ervan op de hoogte dat kind veranderingen doormaakt (ouder en kind groeien in hun
rol)
1e twee kunnen zorgen voor negatieve ontwikkelingsuitkomst
Laatste 2 kunnen zorgen voor positieve ontwikkelingsuitkomst
Ontwikkeling Baby-/peutertijd (0-2 jaar)
Psychologisch:
Fysiologische zelfregulatie lichamelijk positief ontwikkelen (eten, drinken, verzorging)
- 0-2 jaar basis voor veilige hechting
- Ouder moet sensitief en responsief reageren
Cognitief:
- Verhoogde motoriek einde van het eerste levensjaar
- Spraakontwikkeling
Sensomotorisch periode Kind reageert voornamelijk motorisch op sensorische indrukken
(zintuigelijk waargenomen)
, Sociaal-emotioneel:
- ‘Nee-zeg fase’ koppigheidsfase/peuterpubertijd
- Kind verkent grenzen en probeert zelfstandig te worden door ouders los te laten
- Frustratie en angst (stemmingswisselingen)
- Ontdekking geslachtsverschillen
Opvoedingsopgave:
- Veilige hechting (vertrouwdheid)
- Effectief communiceren, consequent
- Goed voorbeeld zijn (imitatiegedrag kind
Ontwikkeling Peuter-/kleutertijd (2-4 jaar)
Psychologisch:
- Eigenheid ontwikkelen
- Representationele vaardigheden eigen maken:
Kind leert zich iets voor te stellen dat er niet (meer) is (interiorisatie)
- Veel imitatie
Cognitief:
Preoperationele stadium kind kan zich dingen voorstellen zonder dat het er werkelijk is
- Accommodatie = Leren van voorbeelden uit omgeving (ww vervoegen)
- Assimilatie = nieuw verworven kennis toegepast op andere gebieden
Sociaal-emotioneel:
- Samen spelen en delen
- Niet altijd je zin krijgen
- Sekse-specifiek te gedragen
Opvoedingsopgave:
- Toezien op cognitieve ontwikkeling van het kind (Vygotskiaanse benadering)
- Creëren mogelijkheden voor het kind (experimenteren) (wel duidelijke regels)
- Voorlezen, gesprekken, spelletjes
Kindgerichte/Autoritatieve ouder
Ouder biedt kind mogelijkheid om te experimenteren binnen de aangeboden kaders.
Duidelijke regels maar ook uitleg geven. (positieve uitkomst)
Oudergerichte/Autoritaire ouder