1.1 De kandidaat beschrijft het onderscheid tussen het goederenrecht en het
verbintenissenrecht (Kennis, 1V,1P)
Verbintenissenrecht: Bij een betalingsafspraak spreek je over een
verbintenisrecht.
Bij een persoon die een zaak heeft dus beschikt over een goed dan praat je
over goederenrecht. De relatie tussen een persoon en zaak is
goederenrecht.
Afspraak tussen twee personen praat je over verbintenissenrecht.
1.2 De kandidaat stelt aan de hand van een voorbeeld vast of er sprake is van
een absoluut of relatief recht. (Theorie,1V,1P)
Relatie tussen een zaak en persoon dat is goederecht bij goederenrecht
gaat het om absoluut recht
Bij relatief gaat het om een juridische relaties tussen twee personen dat is
verbintenissenrecht
1.3 De kandidaat stelt vast of er sprake is van een goed, een zaak, een
vermogensrecht, een registergoed, een niet-registergoed, een roerende
zaak of een onroerende zaak. (Theorie, 2V,2P)
De wet onderscheidt verschillende soorten goederen (Art 3.2BW)
Zaken zijn roerende en onroerende goederen
Niet-registergoederen zijn alle roerende zaken
Registergoederen zijn alle onroerende + Vliegtuigen en Schepen
1.4 De kandidaat stelt voor een situatie vast of er sprake is van houderschap,
eigendom en/of bezit (Theorie 1V,1P)
Houderschap:
Houden voor jezelf is bezit houden voor iemand anders wordt houden
genoemd. (art 3:108 BW)
Eigendom:
Wanneer iets van jou is je hebt de volledige recht over iets (art.5:1 BW)
, Bezit:
Is houden voor jezelf, wanneer iemand terecht of onterecht zich als
eigenaar gedraagt (Lid 1 van art 3:107 BW)
1.5 De kandidaat beschrijft de vereisten voor overdracht (geldige titel,
beschikkingsbevoegdheid, leveringshandeling). (Kennis,1P,1V)
Eisen van overdracht (Art3:84 BW) er moet sprake zijn beschikkingsbevoegd,
een geldige titel (Reden om over te dragen) en leveringshandeling (Art 3:84
BW)
Roerende zaken (Art 3:90 BW) door bezitsverschaffing= Overhandigen
Onroerende zaken (Art 3:89 BW) door overhandigen van de sleutel+ notariële
akte in te schrijven in het openbare register van het kadaster
1.6 De kandidaat motiveert voor een eenvoudige situatie of deze voldoet aan
de vereisten voor overdracht. ** (Theorie 1V,2P).
De vereisten van overdracht, je draagt jouw eigendom over aan een ander
(Art3:84 BW)
1.7 De kandidaat stelt voor een eenvoudige situatie vast op welke wijze de
levering van goederen (roerende en onroerende zaken en vermogensrechten)
plaatsvindt. (Theorie,1V,1P)
Leveringshandelingen, roerende zaken niet-registergoederen door
bezitsverschaffing vervreemder zorgt ervoor dat de verkrijger het goed in zijn
macht krijgt bijvoorbeeld overhandiging, aflevering aan huis
Levering registergoederen (art 3:89 BW) Inschrijving van de notariële
transportakte in de openbare bij het kadaster.
Levering vorderingen aantoonder (art. 3:93 BW)
Vordering waarvan de naam van de schuldeiser niet bekend is. De persoon met
het papiertje wordt als rechthebbende gezien
Levering vordering op naam (art. 3:94 BW)
Vordering van een bepaalde schuldeiser op een bepaalde persoon. Overdracht
gebeurt door middel van een ondertekende akte van cessie