Internationaal Ondernemen 2
1. INTERNATIONALE HANDEL: EEN AANTAL HANDELSTHEORIEËN...................................................................1
1.1. DE THEORIE VAN VRAAG EN AANBOD OP EEN INTERNATIONALE MARKT........................................................................5
1.2. FACTORMOBILITEIT.............................................................................................................................................6
2. INTERNATIONALE HANDELSPOLITIEK.......................................................................................................... 7
2.1. INLEIDING.........................................................................................................................................................7
2.2. HANDELSBELEMMERINGEN.................................................................................................................................16
2.3. PROMOTIE VAN DE HANDEL................................................................................................................................17
2.4. CONTROLE OP ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN.....................................................................................................19
3. GLOBALISERING....................................................................................................................................... 25
3.1. GLOBAAL VS MULTINATIONAAL...........................................................................................................................25
3.2. VAN MULTINATIONAAL NAAR GLOBAAL................................................................................................................26
3.3. ZIJN VRIJHANDEL EN GLOBALISERING VERZOENBAAR MET ZORG VOOR HET MILIEU?......................................................30
4. DE INTERNATIONALE FINANCIËLE MARKT EN DE BETALINGSBALANS.........................................................34
4.1. DE INTERNATIONALE KAPITAALMARKT..................................................................................................................34
4.2. DE EURO-CURRENCY MARKT...............................................................................................................................44
4.3. DE BETALINGSBALANS (3DE MACRO-ECONOMISCHE PARAMETER).............................................................................46
4.4. WISSELKOERSEN: VERSCHILLENDE STELSELS EN DE ROL VAN DE OVERHEID..................................................................48
4.5. DE ROL VAN HET IMF, DE WERELDBANK EN DE G20.............................................................................................53
4.5. INFLATIE.........................................................................................................................................................55
Andreas P
,1. Internationale handel: een aantal handelstheorieën
Opmerking;
De zwakte van een theorie zal altijd de aanleiding tot de volgende theorie zijn.
o Mercantilisme
Eerder een denkwijze dan een theorie (1700-1750)
Algemene welvaart van een land neemt evenredig toe/af met voorraad edelmetalen
Protectionisme taxen (vandaag een uiterst actueel thema)
Neo-mercantilisten
o Geloven dat landen, alles wat werkgelegenheid creëert, moeten
aanmoedigen en alles wat jobs kost, moeten afremmen.
Voornaamste kritiek;
Zero-sum activiteit: alles wat land X wint, verliest land Y
De welvaart stijgt immers door consumptie van eigen én van ingevoerde goederen.
o Adam Smith - Theorie van de absolute voordelen
Vertrekt van de arbeidswaardeleer (enige productiefactor)
Veronderstelt geen internationale bewegingen van productiefactoren
Komt uit ‘an inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations’ (1776)*
Elk huishouden legt zich toe op datgene waarin hij het beste is. (= “Postive-sum”
activiteit)
Essentie: vrije handel ontstaat tussen 2 landen wanneer beide landen
voordeel hebben bij het specialiseren. Ieder land specialiseert zich in het goed
of dienst waar hij een absoluut voordeel heeft bij produceren
Globale toename van productie welvaart beide landen stijgt
Info – An inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations;
— Basiswerk dat het Europese economische denken al eeuwenlang beïnvloedt
— Vergelijkt de nationale economieën met de individuele huishoudens
1
,— Promoot vrijhandel
Opgelet!
Een land heeft een absoluut voordeel als het met dezelfde input meer output kan genereren.
o David Ricardo - Theorie van de comparatieve voordelen
Opportuniteitskost*, “positive-sum’ activiteit
Specialisatie in goed/dienst waarvoor het land het goedkoopst is, ook al is dit
duurder dan in het buitenland
Production possibility curve
o = curve die alle mogelijke productiecombinaties tussen 2 goederen weergeeft
o Beperkingen: geen rekening met K, veronderstelt volmaakte mobiliteit van A
binnen grenzen, geen mobiliteit A over grenzen, onveranderde
kostenverhoudingen, afwezigheid schaalvoordelen, eenzelfde
behoeftestructuur, geen rekening transportkosten, …
Opmerking – Opportuniteitskosten;
De Opportuniteitskosten die een land zal ‘betalen’ om meer van een bepaald product te produceren
zijn gelijk aan de hoeveelheid productie van een ander product die men daarvoor moeten opgeven.
2
, Redenering:
Een land legt zich het beste toe op datgene waar het de kleinste handicap heeft. Zijn theorie situeert
zich eigenlijk in een wereld van ruilhandel (= barter-trade). Het begrip ‘geld’ werd pas later
ingevoerd.
Info;
Het concept comparatief voordeel (= comparative advantage) tegenover het absoluut voordeel van
Adam Smith. Ook al kan een bepaald land zo goed als alles wat het nodig heeft voordeliger
produceren (absoluut voordeel) dan zijn buurland, dan nog zullen beide landen er beter van worden
om toch onderling handel te drijven wanneer ze zich specialiseren in datgene waarin men relatief
gezien nog net beter is. Vanaf het moment dat handel mogelijk wordt, zal het prijsverschil worden
uitgespeeld door arbitrage (= profiteren van prijsverschillen tussen landen).
o Heckscher, Ohlin en Samuelson – Theorie vd relatieve factorbegiftiging
Veronderstelt eveneens volmaakte mobiliteit A en K binnen landen
Volmaakte immobiliteit van A en K over grenzen heen
Essentie: een land zal producten exporteren die voortkomen uit de
binnenlands ruimschoots aanwezige en goedkope productiefactoren, en
producten zal importeren die geen beroep doen op binnenlandse schaarse (en
dus relatief dure) productiefactoren
Opgelet !
Internationale handel brengt op LT de verhoudingen van factorvergoedingen naar elkaar toe
bij handeldrijvende landen!
Elk land heeft er belang bij om in eerste instantie die producten uit te voeren waarin
veel productiemiddelen zitten waaraan het land overschot aan heeft. Producten
3
1. INTERNATIONALE HANDEL: EEN AANTAL HANDELSTHEORIEËN...................................................................1
1.1. DE THEORIE VAN VRAAG EN AANBOD OP EEN INTERNATIONALE MARKT........................................................................5
1.2. FACTORMOBILITEIT.............................................................................................................................................6
2. INTERNATIONALE HANDELSPOLITIEK.......................................................................................................... 7
2.1. INLEIDING.........................................................................................................................................................7
2.2. HANDELSBELEMMERINGEN.................................................................................................................................16
2.3. PROMOTIE VAN DE HANDEL................................................................................................................................17
2.4. CONTROLE OP ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN.....................................................................................................19
3. GLOBALISERING....................................................................................................................................... 25
3.1. GLOBAAL VS MULTINATIONAAL...........................................................................................................................25
3.2. VAN MULTINATIONAAL NAAR GLOBAAL................................................................................................................26
3.3. ZIJN VRIJHANDEL EN GLOBALISERING VERZOENBAAR MET ZORG VOOR HET MILIEU?......................................................30
4. DE INTERNATIONALE FINANCIËLE MARKT EN DE BETALINGSBALANS.........................................................34
4.1. DE INTERNATIONALE KAPITAALMARKT..................................................................................................................34
4.2. DE EURO-CURRENCY MARKT...............................................................................................................................44
4.3. DE BETALINGSBALANS (3DE MACRO-ECONOMISCHE PARAMETER).............................................................................46
4.4. WISSELKOERSEN: VERSCHILLENDE STELSELS EN DE ROL VAN DE OVERHEID..................................................................48
4.5. DE ROL VAN HET IMF, DE WERELDBANK EN DE G20.............................................................................................53
4.5. INFLATIE.........................................................................................................................................................55
Andreas P
,1. Internationale handel: een aantal handelstheorieën
Opmerking;
De zwakte van een theorie zal altijd de aanleiding tot de volgende theorie zijn.
o Mercantilisme
Eerder een denkwijze dan een theorie (1700-1750)
Algemene welvaart van een land neemt evenredig toe/af met voorraad edelmetalen
Protectionisme taxen (vandaag een uiterst actueel thema)
Neo-mercantilisten
o Geloven dat landen, alles wat werkgelegenheid creëert, moeten
aanmoedigen en alles wat jobs kost, moeten afremmen.
Voornaamste kritiek;
Zero-sum activiteit: alles wat land X wint, verliest land Y
De welvaart stijgt immers door consumptie van eigen én van ingevoerde goederen.
o Adam Smith - Theorie van de absolute voordelen
Vertrekt van de arbeidswaardeleer (enige productiefactor)
Veronderstelt geen internationale bewegingen van productiefactoren
Komt uit ‘an inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations’ (1776)*
Elk huishouden legt zich toe op datgene waarin hij het beste is. (= “Postive-sum”
activiteit)
Essentie: vrije handel ontstaat tussen 2 landen wanneer beide landen
voordeel hebben bij het specialiseren. Ieder land specialiseert zich in het goed
of dienst waar hij een absoluut voordeel heeft bij produceren
Globale toename van productie welvaart beide landen stijgt
Info – An inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations;
— Basiswerk dat het Europese economische denken al eeuwenlang beïnvloedt
— Vergelijkt de nationale economieën met de individuele huishoudens
1
,— Promoot vrijhandel
Opgelet!
Een land heeft een absoluut voordeel als het met dezelfde input meer output kan genereren.
o David Ricardo - Theorie van de comparatieve voordelen
Opportuniteitskost*, “positive-sum’ activiteit
Specialisatie in goed/dienst waarvoor het land het goedkoopst is, ook al is dit
duurder dan in het buitenland
Production possibility curve
o = curve die alle mogelijke productiecombinaties tussen 2 goederen weergeeft
o Beperkingen: geen rekening met K, veronderstelt volmaakte mobiliteit van A
binnen grenzen, geen mobiliteit A over grenzen, onveranderde
kostenverhoudingen, afwezigheid schaalvoordelen, eenzelfde
behoeftestructuur, geen rekening transportkosten, …
Opmerking – Opportuniteitskosten;
De Opportuniteitskosten die een land zal ‘betalen’ om meer van een bepaald product te produceren
zijn gelijk aan de hoeveelheid productie van een ander product die men daarvoor moeten opgeven.
2
, Redenering:
Een land legt zich het beste toe op datgene waar het de kleinste handicap heeft. Zijn theorie situeert
zich eigenlijk in een wereld van ruilhandel (= barter-trade). Het begrip ‘geld’ werd pas later
ingevoerd.
Info;
Het concept comparatief voordeel (= comparative advantage) tegenover het absoluut voordeel van
Adam Smith. Ook al kan een bepaald land zo goed als alles wat het nodig heeft voordeliger
produceren (absoluut voordeel) dan zijn buurland, dan nog zullen beide landen er beter van worden
om toch onderling handel te drijven wanneer ze zich specialiseren in datgene waarin men relatief
gezien nog net beter is. Vanaf het moment dat handel mogelijk wordt, zal het prijsverschil worden
uitgespeeld door arbitrage (= profiteren van prijsverschillen tussen landen).
o Heckscher, Ohlin en Samuelson – Theorie vd relatieve factorbegiftiging
Veronderstelt eveneens volmaakte mobiliteit A en K binnen landen
Volmaakte immobiliteit van A en K over grenzen heen
Essentie: een land zal producten exporteren die voortkomen uit de
binnenlands ruimschoots aanwezige en goedkope productiefactoren, en
producten zal importeren die geen beroep doen op binnenlandse schaarse (en
dus relatief dure) productiefactoren
Opgelet !
Internationale handel brengt op LT de verhoudingen van factorvergoedingen naar elkaar toe
bij handeldrijvende landen!
Elk land heeft er belang bij om in eerste instantie die producten uit te voeren waarin
veel productiemiddelen zitten waaraan het land overschot aan heeft. Producten
3