10.1
Tot de WO2 was het gebruikelijk dat werkgevers en werknemers zelfstandig en naar eigen
inzicht de inhoud van de arbeidsvoorwaarden vaststelden, de overheid stelde zich passief op
→ na de gevolgen van de oorlog moest alles weer van de grond af worden opgebouwd,
iedereen vond dat de overheid zich niet meer passief kon opstellen → de overheid kreeg een
leiderspositie.
Deze radicale omkeer roept een vraag op: hoe is de relatie tussen de sociale partners en
de overheid inzake de arbeidsvoorwaardenvorming?
Enerzijds zien we de werkgevers en werknemers die met elkaar over collectieve
arbeidsvoorwaarden.
Anderzijds zien we de overheid.
10.2
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA 1945): hierin werd het fundament
gelegd voor een naoorlogse loonpolitiek, waarbij beslissingen over de ontwikkelingen van
collectieve arbeidsvoorwaarden op nationaal niveau dwingend werden voorgeschreven → er
werd gekozen voor een gecentraliseerde en geleide loonpolitiek.
De overheid kwam tot de bevoegdheid om algemene aanwijzingen in te stellen →
voorafgaand werd de Stichting van de arbeid in de gelegenheid gesteld om haar visie te
delen → de algemene aanwijzingen waren bestemd voor het College van Rijksbemiddelaars,
deze vormde de spil waar het loonpolitieke stelsel om draaide → door deze aanwijzingen kon
het College vergaand ingrijpen in alle lonen en andere arbeidsvoorwaarden → hierin zijn 2
belangrijke bevoegdheden:
1. Alle nieuwe cao’s moesten worden goed worden gekeurd.
2. En de bevoegdheid tot bindende loonregelingen vast te stellen.
10.3
1963: ingrijpende wijzingen BBA → het nieuwe stelsel ruimde plaats in voor een grotere
onderhandelingsvrijheid voor werkgevers en werknemers → de goedkeuring van de cao’s
bleef wel bestaan, alleen kwam nu in handen van de Stichting van Arbeid → het College van
Rijksbemiddelaars speelde alleen op de achtergrond, eveneens als de regering → de regering
had zich allen nog wel bepaalde bevoegdheden voorbehouden; als de loonontwikkelingen de
verkeerde kant op zouden gaan konden ze ingrijpen.
Deze regeling hield stand tot 1967; werkgever en werknemers waren unaniem van
opvatting dat er vrije collectieve onderhandelingen moeste komen, meer daarnaast een
overheid die slechts op uitzonderlijke momenten mocht ingrijpen.
10.4
In 1970 werd via de Wet op loonvorming (Loonwet) het BBA-stelsel volledig afgeschaft → er
werd een nieuw systeem geïntroduceerd dat gebaseerd was op vrij collectieve
onderhandelingen en decentralisatie.
Een belangrijke verandering van deze wet is dat het preventieve toezicht op cao’s
verdween.
De regering had een beperkt instrumentarium om in de loonontwikkeling in te grijpen:
Art. 5 en 6 de Wet op loonvorming kon de regering nog steeds bindende loonregelingen
ten aanzien van een bepaalde categorie arbeidsverhoudingen vaststellen, hetzij op
verzoek van de betreffende werkgevers en vakbonden, hetzij op verzoek van de Stichting
van de Arbeid → in de praktijk is hier nauwelijks gebruik van gemaakt.
Art. 10 t/m 12 gaven de overheid de bevoegdheid om loonmaatregelen te treffen → de
inhoud van deze maatregelen was aan grenzen gebonden: