D. vancampfort
REVALIDATIE GEESTELIJKE
GEZONDHEIDSZORG
Deel 1: introductie in de geestelijke gezondheidszorg
1. Algemene principes van de GG zorgverlening
1.1. Wanneer is professionele hulp nodig?
1.2. Bij wie kan men best ten rade?
1.3. Wat kan de patiënt verwachten?
1.3.1. Psychotherapie
1.3.1.1. Psychoanalyse en
psychodynamische therapie
1.3.1.2. Cognitieve gedragstherapie
1.3.1.3. Ervaringsgerichte therapie
1.3.1.4. Systeem therapie
1.3.1.5. Alternatieve psychotherapieën
1.3.2. Medicijnen
2. Voorzieningen in de GG
2.1. De ambulante zorgverlening
Centra voor GG
Psychiatrische thuiszorg
2.2. Semimurale zorgverlening
Beschermd wonen
Deeltijd behandeling in psychiatrische instelling
Dagbesteding
Beschutte werkplaatsen
2.3. Intramurale zorgverlening
PAAZ
PZ
PVT
Instelling voor verstandelijke gehandicapten
, D. vancampfort
3. Actoren in de GG
3.1. Beroepsgroepen en hun kerntaken
3.2. Organisatie voor patiënten en hun naasten
4. Het belang va het biopsychosociale model in de GG
4.1. Het biomedische model
4.2. Het biopsychosociale model
REVALIDATIE GEESTELIJKE
GEZONDHEIDSZORG
Deel 1: introductie in de geestelijke gezondheidszorg
1. Algemene principes van de GG zorgverlening
1.1. Wanneer is professionele hulp nodig?
1.2. Bij wie kan men best ten rade?
1.3. Wat kan de patiënt verwachten?
1.3.1. Psychotherapie
1.3.1.1. Psychoanalyse en
psychodynamische therapie
1.3.1.2. Cognitieve gedragstherapie
1.3.1.3. Ervaringsgerichte therapie
1.3.1.4. Systeem therapie
1.3.1.5. Alternatieve psychotherapieën
1.3.2. Medicijnen
2. Voorzieningen in de GG
2.1. De ambulante zorgverlening
Centra voor GG
Psychiatrische thuiszorg
2.2. Semimurale zorgverlening
Beschermd wonen
Deeltijd behandeling in psychiatrische instelling
Dagbesteding
Beschutte werkplaatsen
2.3. Intramurale zorgverlening
PAAZ
PZ
PVT
Instelling voor verstandelijke gehandicapten
, D. vancampfort
3. Actoren in de GG
3.1. Beroepsgroepen en hun kerntaken
3.2. Organisatie voor patiënten en hun naasten
4. Het belang va het biopsychosociale model in de GG
4.1. Het biomedische model
4.2. Het biopsychosociale model