Examencursus Geschiedenis
Vaardigheden Kennis
Stappenplan examenvraag Prehistorie
Bronnen beoordelen Middeleeuwen
Chronologie vragen Vroeg moderne tijd (1500-1800)
- 16e eeuw
- Republiek (1515-1648)
- Verlichting (1650-1848)
Stappenplan cartoons Moderne tijd (1800-nu)
- Duitsland (1871-1945)
- Koude Oorlog (1945-1991)
Toelichtingen:
- Een betekent het proces naar iets toe. Alles wat naast de pijl staat, zijn oorzaken.
- Een moet je interpreteren als ‘dus’ of ‘dit leidt aan tot’.
- Alle stukjes in rood zijn historische voorbeelden, deze moet je kennen.
- Alle stukjes in blauw zijn jaartallen of geven structuur aan.
1
Aantekeningen geschiedenis Goei
, Stappenplan examenvraag
I. Beweren
Herhaal de vraag in het antwoord.
II. Redeneren
Schrijf alle kenmerken op die je weet van:
A: Het onderwerp in de vraag
B: Onderwerpen uit de bron
Kijk naar overeenkomsten/verschillen tussen kenmerken van A en B.
III. Formuleren
Formuleer het antwoord door het verband (C) tussen A en B te beschrijven.
In je antwoord gebruiken: “Ik lees/zie in de bron dat… wat overeenkomt
met/verschilt van/wat leidt tot…”
IV. Controleren
Lees je antwoord en de vraag nog eens door
- Staan A, B en C in het eindantwoord?
- Klinkt het logisch?
Probeer a.d.h.v. dit stappenplan wat examen opgaven te oefenen.
2
Aantekeningen geschiedenis Goei
Vaardigheden Kennis
Stappenplan examenvraag Prehistorie
Bronnen beoordelen Middeleeuwen
Chronologie vragen Vroeg moderne tijd (1500-1800)
- 16e eeuw
- Republiek (1515-1648)
- Verlichting (1650-1848)
Stappenplan cartoons Moderne tijd (1800-nu)
- Duitsland (1871-1945)
- Koude Oorlog (1945-1991)
Toelichtingen:
- Een betekent het proces naar iets toe. Alles wat naast de pijl staat, zijn oorzaken.
- Een moet je interpreteren als ‘dus’ of ‘dit leidt aan tot’.
- Alle stukjes in rood zijn historische voorbeelden, deze moet je kennen.
- Alle stukjes in blauw zijn jaartallen of geven structuur aan.
1
Aantekeningen geschiedenis Goei
, Stappenplan examenvraag
I. Beweren
Herhaal de vraag in het antwoord.
II. Redeneren
Schrijf alle kenmerken op die je weet van:
A: Het onderwerp in de vraag
B: Onderwerpen uit de bron
Kijk naar overeenkomsten/verschillen tussen kenmerken van A en B.
III. Formuleren
Formuleer het antwoord door het verband (C) tussen A en B te beschrijven.
In je antwoord gebruiken: “Ik lees/zie in de bron dat… wat overeenkomt
met/verschilt van/wat leidt tot…”
IV. Controleren
Lees je antwoord en de vraag nog eens door
- Staan A, B en C in het eindantwoord?
- Klinkt het logisch?
Probeer a.d.h.v. dit stappenplan wat examen opgaven te oefenen.
2
Aantekeningen geschiedenis Goei