stadsbeeld analyse kevin lynch moodle
Door het mentale stadsbeeld van de inwoners en bezoekers van de drie steden te
bestuderen tracht hij de visuele kwaliteit van de stad vast te leggen. De kwaliteit waar hij
zich specifiek op richt is de 'Ieesbaarheid' (legibility) van de stad: het gemak waarmee de
stad in zijn delen kan worden herkend en geordend tot een samenhangend geheel. De
Ieesbaarheid van de stad heeft een grote invloed op de vorming van een helder stadsbeeld
en de emotionele beleving van het stedelijk gebied.
Het centrale vraagstuk in Lynch' onderzoek is door welke eigenschappen sommige
stedelijke objecten makkelijker worden waargenomen en zij een scherp beeld achterlaten in
het geheugen, terwijl andere objecten nauwelijks opvallen of snel weer uit de herinnering
verdwijnen.
Ten behoeve van zijn analyse maakt Lynch onderscheid in drie componenten van de
stadsvoorstelling: identiteit, structuur en betekenis.
identiteit: verwijst naar individualiteit en onderscheidbaarheid van een ruimtelijk object als
afzonderlijke eenheid. Het gaat daarbij vooral om 'in het oog springende eigenschappen',
zoals de kenmerken die iemand beschrijft, wanneer hij uitlegt wat er op een bepaald plein
zoal te zien is.
structuur: kan gedefinieerd worden als het geheel van te onderscheiden delen en
elementen waartussen een waarneembare samenhang bestaat.
betekenis: omvat de niet-fysieke kenmerken van een stedelijk element.
1. Routes ("paths"): Lineaire elementen waarlangs mensen zich verplaatsen, b.v. wegen,
straten, kanalen, tram- of spoorbanen.
2.Grenzen of randen ("edges"): Overgang tussen twee gebieden, b.v. een verkeersweg
tussen twee wijken, of een gracht rondom een stadscentrum. Soms is een rand of grens
tevens barrière, b.v. een drukke stadsautoweg of spoorbaan.
3.Gebieden of districten ("districts"): Gedeelten van een stad die op basis van bepaalde
eigenschappen een onscheidbare eenheid vormen, b.v. de binnenstad, een kantorengebied
of buitenwijk.
4.Knooppunten ("nodes"): Brandpunten van activiteit, vaak strategische plekken in een
stad die voor de waarnemer toegankelijk zijn, b.v. een kruispunt van een aantal wegen, een
marktplein, een busstation e.d.
5.Herkenningstekens ("landmarks"): Referentie- of oriëntatie-punten, welke direct in het
oog springen. Sommige landmarks oefenen hun fysieke werking vooral op afstand uit, als
richtpunt waar men naartoe, of juist vanaf moet bewegen, zoals kerktorens en hoge
gebouwen.
hoofdstuk 2.1 basisboek ROP
● de stad is een zeer complex verschijnsel dat vanuit verschillende invalshoeken
bekeken moet worden. de grens van de stad is maar zelden scherp: wat precies nog
, wel of niet tot de stad gerekend kan worden, staat dus altijd ter discussie.
morfologisch verschillen steden van elkaar in vorm, grootte en structuur. ook in
economisch, historisch en functioneel opzicht kent elke stad een eigen karakter.
➔ morfologie: fysieke vorm van steden, wijken, parken etc.
- concentrische vorm: rond met rafelige amorfe randen: parijs, londen
buitengebied steeds verder van stedelingen->satellieten (groeikernen)
- vingerstadmodel:stedelijke uitlopers met groene lobben: amsterdam
- raster- of gridstructuur: heeft allerlei vormen, nieuwere steden meer
gericht op auto: LA
➔ agglomeratiefactoren: redenen dat bedrijven en organisaties zich in de stad
vestigen. dit zijn o.a:
- productiekosten
- afzetmarkt + draagvlak
- bereikbaarheid
- arbeidsmarkt
➔ functionele analyse: ruimtegebruik staat centraal, 4 hoofdfuncties:
1. wonen
2. werken
3. recreatie
4. verkeer
Door het mentale stadsbeeld van de inwoners en bezoekers van de drie steden te
bestuderen tracht hij de visuele kwaliteit van de stad vast te leggen. De kwaliteit waar hij
zich specifiek op richt is de 'Ieesbaarheid' (legibility) van de stad: het gemak waarmee de
stad in zijn delen kan worden herkend en geordend tot een samenhangend geheel. De
Ieesbaarheid van de stad heeft een grote invloed op de vorming van een helder stadsbeeld
en de emotionele beleving van het stedelijk gebied.
Het centrale vraagstuk in Lynch' onderzoek is door welke eigenschappen sommige
stedelijke objecten makkelijker worden waargenomen en zij een scherp beeld achterlaten in
het geheugen, terwijl andere objecten nauwelijks opvallen of snel weer uit de herinnering
verdwijnen.
Ten behoeve van zijn analyse maakt Lynch onderscheid in drie componenten van de
stadsvoorstelling: identiteit, structuur en betekenis.
identiteit: verwijst naar individualiteit en onderscheidbaarheid van een ruimtelijk object als
afzonderlijke eenheid. Het gaat daarbij vooral om 'in het oog springende eigenschappen',
zoals de kenmerken die iemand beschrijft, wanneer hij uitlegt wat er op een bepaald plein
zoal te zien is.
structuur: kan gedefinieerd worden als het geheel van te onderscheiden delen en
elementen waartussen een waarneembare samenhang bestaat.
betekenis: omvat de niet-fysieke kenmerken van een stedelijk element.
1. Routes ("paths"): Lineaire elementen waarlangs mensen zich verplaatsen, b.v. wegen,
straten, kanalen, tram- of spoorbanen.
2.Grenzen of randen ("edges"): Overgang tussen twee gebieden, b.v. een verkeersweg
tussen twee wijken, of een gracht rondom een stadscentrum. Soms is een rand of grens
tevens barrière, b.v. een drukke stadsautoweg of spoorbaan.
3.Gebieden of districten ("districts"): Gedeelten van een stad die op basis van bepaalde
eigenschappen een onscheidbare eenheid vormen, b.v. de binnenstad, een kantorengebied
of buitenwijk.
4.Knooppunten ("nodes"): Brandpunten van activiteit, vaak strategische plekken in een
stad die voor de waarnemer toegankelijk zijn, b.v. een kruispunt van een aantal wegen, een
marktplein, een busstation e.d.
5.Herkenningstekens ("landmarks"): Referentie- of oriëntatie-punten, welke direct in het
oog springen. Sommige landmarks oefenen hun fysieke werking vooral op afstand uit, als
richtpunt waar men naartoe, of juist vanaf moet bewegen, zoals kerktorens en hoge
gebouwen.
hoofdstuk 2.1 basisboek ROP
● de stad is een zeer complex verschijnsel dat vanuit verschillende invalshoeken
bekeken moet worden. de grens van de stad is maar zelden scherp: wat precies nog
, wel of niet tot de stad gerekend kan worden, staat dus altijd ter discussie.
morfologisch verschillen steden van elkaar in vorm, grootte en structuur. ook in
economisch, historisch en functioneel opzicht kent elke stad een eigen karakter.
➔ morfologie: fysieke vorm van steden, wijken, parken etc.
- concentrische vorm: rond met rafelige amorfe randen: parijs, londen
buitengebied steeds verder van stedelingen->satellieten (groeikernen)
- vingerstadmodel:stedelijke uitlopers met groene lobben: amsterdam
- raster- of gridstructuur: heeft allerlei vormen, nieuwere steden meer
gericht op auto: LA
➔ agglomeratiefactoren: redenen dat bedrijven en organisaties zich in de stad
vestigen. dit zijn o.a:
- productiekosten
- afzetmarkt + draagvlak
- bereikbaarheid
- arbeidsmarkt
➔ functionele analyse: ruimtegebruik staat centraal, 4 hoofdfuncties:
1. wonen
2. werken
3. recreatie
4. verkeer