Woordsoorten
Rekenkundig ontleden:
1. Lidwoord (lw) De + het + een
2. Zelfstandig naamwoord (zn) Mensen, dieren, dingen
Komt na het lidwoord
De man , het paard , een vakantie
3. Bijvoeglijk naamwoord (bn) Zegt iets over Zn
De aardige man, het bruine paard, de leuke vakantie
4. Zelfstandig werkwoord (zww) Geeft handeling, gebeurtenis of situatie
aan
Zij slaapt, ik heb gedroomd, ik kan het lezen
5. Hulpwerkwoord (hww) Zegt iets extra’s over zww
Voltooide tijd : Hebben + zijn
Heb je het geld geteld? + Hij is thuisgekomen.
toekomende tijd : zullen + gaan
Ik zal komen + Zullen we gaan
Lijdende vorm : worden + zijn
We worden bedrogen. + Je bent te laat
Modale : Hoeven, kunnen, moeten, mogen en willen
je hoeft niet te werken, je mag blijven, je kunt blijven logeren
Causale : Doen + laten
hij laat het gebeuren + ik doe u het contract toekomen
6. Koppewerkwoord (kww) Koppelt ow aan zn/bn
Zijn, worden, blijven, blijken, schijnen, lijken, heten, dunken en voorkomen
7. 4 soorten werkwoorden:
1. Infinitief hele werkwoord. Bijv. werken, lopen, eten
2. Persoonsvorm veranderd mee met het onderwerp. Bijv. Ik werk, Jij loopt
3. Voltooid deelwoord kan niet veranderen. Bijv. ik heb gelopen
4. Onvoltooid deelwoord inf + d(e) . Bijv. gierend kwam ze binnen
8. Voorzetsel (vz) Een voorzetsel (of: prepositie) is een onverbuigbaar
woord zoals aan, bij, door, in, naast, om en tussen, dat de aard van de relatie
(bijvoorbeeld tijd of ruimte of middel) tussen verschillende elementen in de zin
aangeeft
Aan de slag, In mei, Sinds juni, Voor niets, Vanwege het eten, De weg over, Het
park in, De bocht om
9. Voegwoord (vw) En, maar, want, of, dan wel, hetzij, hoe, noch, ofwel,
dat, omdat, doordat, nadat, opdat, totdat, voordat, zodat, aangezien, als, dan,
des te, hoewel, ofschoon, terwijl, toen, wanneer
1