Leerdoelen hoofdstuk 3:
1. Emoties en stemmingen kunnen onderscheiden
2. Oorzaken van emoties en stemmingen kunnen benoemen
3. Impact van emotionele arbeid kunnen beschrijven
4. De affectieve-gebeurtenissentheorie kunnen uitleggen
5. Kunnen uitleggen wat emotionele intelligentie is
6. Strategieën van emotieregulatie kunnen beschrijven
7. Gevolgen van emoties en stemmingen op gedrag in organisaties
kunnen voorspellen
Mythe van rationaliteit: De mythe waarbij wordt gedacht dat emoties van
negatieve invloed zijn op rationele besluitvorming.
3.1 Wat zijn emoties en stemmingen?
Affect: Het hele spectrum van emoties en stemmingen die een mens kan
voelen.
1
Emoties: Intense gevoelens voor iets/iemand.
Stemmingen: Minder intens dan emoties en hoeft geen duidelijke oorzaak te
hebben.
De 6 universele emoties van Paul Ekman:
Woede, angst, verdriet, geluk, verbazing, walging.
Morele emoties: Emoties die morele implicaties hebben. Bv: Boos zijn als je
iets onrechtvaardig vind.
Positieve affecten: Positieve gevoelens
Negatieve affecten: Negatieve gevoelens
Activerende affecten: Gevoelens gekoppeld aan veel energie. (zenuwachtig)
Passieve affecten: Gevoelens gekoppeld aan weinig energie. (verveling)
Positieve neutrale toestand: Wanneer er niks bijzonders gebeurd, hebben de
meeste mensen een licht positieve stemming.