complete samenvatting over thema 1 en thema 2 uit het biologieboek van 5 vwo. Alle dik gedrukte woorden die belangrijk zijn komen van pas en andere belangrijke informatie staat in deze samenvatting vermeld. alle paragrafen worden behandeld en duidelijk beschreven . Thema 1 regeling en thema 2 waar...
Normwaarde: Je lichaam handhaaft factoren (zoals de zuurstofconcentratie en
glucoseconcentratie in het bloed, de osmotische waarde van lichaamsvloeistoffen en de
lichaamstemperatuur) rondom een bepaalde waarde.
- Normwaarde lichaamstemperatuur schommelt rond de 37 graden, wordt beïnvloed
door de omgevingstemperatuur en activiteiten.
- Hier is sprake van een dynamisch evenwicht, die in stand gehouden wordt door een
regelkring.
Homeostase: Het in stand houden van een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu
van organismen.
- Een regelkring bestaat uit een sensor, een controlecentrum en een effector.
- Via regelkringen worden bepaalde normwaarden gehandhaafd. Hierdoor is er een
dynamisch evenwicht.
- Negatieve terugkoppeling: een toename van het resultaat die het proces remt.
- positieve terugkoppeling: een toename van het resultaat die het proces versterkt.
Homeostase is een voorbeeld van zelfregulatie op het organisatieniveau organisme.
Het uitwendige milieu is de omgeving van een organisme. Inhoud van darmen longen en
blaas hoort bij het uitwendige milieu.
Het weefselvloeistof en het bloed vormen samen het inwendige milieu van een organisme.
Paragraaf 2
Voor homeostase in meercellige organismen is communicatie tussen cellen nodig.
In organismen vindt communicatie tussen cellen plaats via signaalmoleculen
(signaalstoffen), zoals hormonen en neurotransmitters. Zelfs over grote afstanden mogelijk.
Hormonen: De signaalmoleculen die de cellen van hormoonklieren afgeven.
Hormoonklieren (endocriene klieren) geven hormonen af aan het bloed (secretie).
Exocriene klieren (zweetklieren, speekselklieren) geven hun product af via een
afvoerbuis. Dit heet excretie of uitscheiding.
Het bloed transporteert hormonen door het lichaam.
Vanuit de bloedvaten gaan hormonen via weefselstof naar alle cellen van een organisme.
De hormonen zijn alleen werkzaam in organen waarvan de cellen receptoren bezitten
waaraan het hormoon zich kan binden: doelwitorganen.
Hormonen regelen de werking van doelwitorganen waarvan de cellen de receptoren
bezitten waaraan het hormoon kan binden. Deze binding kan in de cellen van deze
organen een reactie op gang brengen of een reactie stoppen.
- Een hormoon kan processen in meerdere doelwitorganen regelen.
, - De mate van reactie wordt onder andere bepaald door de hormoonspiegel
(hormoonconcentratie) van een hormoon en het aantal receptoren op de
celmembranen van cellen.
- Hormonen reguleren vooral geleidelijke veranderingen.
- Doordat hormonen vaak lang in het bloed en in het weefsel van doelwitorganen
aanwezig blijven, houden de effecten lang aan.
- Hormonen reguleren onder andere geleidelijke processen die uitwerking hebben op
het hele lichaam (zoals de groei en ontwikkeling, stofwisseling en voortplanting).
De werking van hormonen die door het celmembraan heen kunnen:
Een hormoonmolecuul bindt aan een receptoreiwit in het cytoplasma van een doelwit cel. Er
wordt een hormoon-receptorcomplex gevormd dat via een kernporie naar het kernplasma
wordt getransporteerd. Daar kan het bepaalde genen in het DNA aan- of uitzetten. Wanneer
een gen aan staat, kan de cel eiwitten maken die bijvoorbeeld kunnen dienen als enzym, als
hormoon of receptoreiwit.
De werking van hormonen die binden aan een receptoreiwit aan de buitenzijde van het
celmembraan van een doelwit cel:
- Aan de binnenzijde van het celmembraan wordt een second messenger geactiveerd
of gevormd. Deze kan bijvoorbeeld een enzym activeren. Het geactiveerde enzym kan
het signaal doorgeven aan een volgend signaalmolecuul, een specifieke reactie op
gang brengen in het cytoplasma of genen in het DNA aan- of uitzetten.
- Signaalcascade (cascade): een signaal wordt in de cel via meerdere schakels
doorgegeven.
- Sommige hormonen die wel de cel in kunnen, zoals adrenaline, oefenen ook hun
invloed uit via second messengers.
- Door dit proces kan een enkel signaal buiten de cel (extracellulair) een enorme
reactie hebben binnen de cel (intracellulair).
Het hormoonstelsel bestaat uit een aantal hormoonklieren.
De hypofyse ligt ongeveer in het midden van je hoofd onder je hersenen.
- Bestaat uit hypofysevoorkwab en hypofyseachterkwab.
- De hypofyse produceert verschillende hormonen. Sommige daarvan zoals,
thyreoïdstimulerend hormoon (TSH), follikelstimulerend hormoon (FSH) en
luteïniserend hormoon (LH), beïnvloeden de werking van andere hormoonklieren.
Het gedeelte van de hersenen dat net boven de hypofyse ligt, is de hypothalamus.
- De hypothalamus controleert veel homeostatische regelmechanismen en bestuurt
het hormoonstelsel doordat neuronen(zenuwcellen) neurohormonen produceren en
afgeven (neurosecretie).
Via de hypothalamus en de hypofyse zijn het zenuwstelsel en het hormoonstelsel met
elkaar verbonden.
De hypofyseachterkwab geeft neurohormonen, antidiuretisch hormoon (ADH) en
oxytocine af aan het bloed die worden geproduceerd door neuronen in de hypothalamus.
(via vertakkingen van de een naar de ander)
, - Oxytocine: stimuleert het ontstaan van weeën aan het einde van de zwangerschap en
tijdens de geboorte. Zorgt ook voor het zogen voor de melksecretie uit de melkklieren van de
borsten. En zorgt voor moeder dochter band. Ook wel ‘’Hechtingshormoon’’ genoemd.
- Antidiuretisch hormoon (ADH): regelt resorptie van water in de nieren bij de vorming van
urine. Hierdoor kan de hoeveelheid water worden geregeld die de nieren via urine
uitscheiden. Hierdoor blijft osmotische waarde van het bloed constant.
Ook geven neuronen in de hypothalamus twee typen neurohormonen af die de
endocriene cellen in de hypofysevoorkwab beïnvloeden:
- Inhibiting hormonen (IH); zorgen ervoor dat de endocriene cellen in de
hypofysevoorkwab geen hormonen (groeihormoon en prolactine) meer produceren.
- Realising hormonen (RH); stimuleren de endocriene cellen in de hypofysevoorkwab
juist om bepaalde hormonen (TSH, FSH, LH, groeihormoon, prolactine en
adrenocorticotroop hormoon) te produceren.
Inhibiting en realising hormonen worden afgegeven aan haarvaten en komen via het bloed in
de hypofysevoorkwab terecht. Daar stimuleren ze de productie en afgifte van
hypofysehormonen. Zo stimuleert TSH realising factor (TRF) uit de hypothalamus de vorming
en afgifte van TSH door de hypofysevoorkwab. TSH beïnvloed de schildklier.
De hypofysevoorkwab:
- De secretie van hormonen door de hypofyse staat onder invloed van realising
hormonen en inhibiting hormonen die door de hypothalamus worden afgegeven
- Adrenocorticotroop hormoon (ACTH): stimuleert de bijnierschors tot de afgifte van
cortisol. Veroorzaakt door stress.
- Groeihormoon: regelt de groei en ontwikkeling. In puberteit stimuleert het
groeihormoon de groei van beenderen.
- FSH en LH reguleren processen in de ovaria en de testes.
- Prolactine: stimuleert de productie van melk door melkklieren in de borsten. En
vergroot melkklieren.
- TSH (thyreoïdstimulerend hormoon): reguleert de schildklier.
De schildklier ligt in de hals voor het strottenhoofd.
De schildklier produceert o.a. thyroxine (of schildklierhormoon).
- Thyroxine stimuleert de stofwisseling en de groei en ontwikkeling bij kinderen (van
het beenderen stelsel en centrale zenuwstelsel).
- TSH stimuleert de vorming van schildklierweefsels, de opname van jodium door de
schildkliercellen en de productie van thyroxine.
- Als de schildklier te veel thyroxine produceert, neemt de intensiteit van de
stofwisseling toe. Dat kan leiden tot gewichtsverlies, toename van eetlust en
rusteloosheid. Als die te weinig produceert, neemt de intensiteit van de stofwisseling
af. Dat kan leiden tot gewichtstoename en vermoeidheid. Bij kinderen blijven dan de
ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel en de lichamelijke ontwikkeling achter. Te
laag vanaf geboorte kan leiden tot dwerggroei, gepaard met beperkte geestelijke
ontwikkeling.
- Jodium is noodzakelijk voor de vorming van thyroxine.
- Thyroxine remt de productie van TRF en TSH (negatieve terugkoppeling).
The benefits of buying summaries with Stuvia:
Guaranteed quality through customer reviews
Stuvia customers have reviewed more than 700,000 summaries. This how you know that you are buying the best documents.
Quick and easy check-out
You can quickly pay through credit card or Stuvia-credit for the summaries. There is no membership needed.
Focus on what matters
Your fellow students write the study notes themselves, which is why the documents are always reliable and up-to-date. This ensures you quickly get to the core!
Frequently asked questions
What do I get when I buy this document?
You get a PDF, available immediately after your purchase. The purchased document is accessible anytime, anywhere and indefinitely through your profile.
Satisfaction guarantee: how does it work?
Our satisfaction guarantee ensures that you always find a study document that suits you well. You fill out a form, and our customer service team takes care of the rest.
Who am I buying these notes from?
Stuvia is a marketplace, so you are not buying this document from us, but from seller nikkievantol. Stuvia facilitates payment to the seller.
Will I be stuck with a subscription?
No, you only buy these notes for $9.66. You're not tied to anything after your purchase.