Biologie samenvatting H3 en H4
Hoofdstuk 3
Paragraaf 1
Micro- organismen: organismen die zo klein zijn dat je ze niet met het blote oog kan zien.
Voedsel infectie: besmetting via het voedsel zoals salmonella.
Voedsel vergiftiging: als schimmels en bacteriën toxinen (giftige afvalstoffen) afgeven die je ziek
maken.
Heterotrofe organismen: organismen die voor hun organische stoffen afhankelijk zijn van andere
organismen.
Autotroof organismen: organismen die hun organische stoffen maken van anorganische stoffen.
Bacteriën: zijn heterotroof en ze maken sporen voor verspreiding en overleving.
Schimmels: zijn heterotroof, en ze kunnen zich ongeslachtelijk vermeerden door middel van sporen
gevormd via een mycelium (groene schimmel)
Virussen: stukjes erfelijk materiaal (DNA of RNA) omgeven door een eiwitmantel. Vermeerderen door
gastheercel.
Ongeslachtelijke voortplanting: nageslacht hebben hetzelfde DNA als de ouders. (bacteriën,
virussen)
Geslachtelijke voortplanting: nageslacht is een combinatie van DNA van beide ouders.
Binas tabel 77
Paragraaf 2
Voedsel conserveer technieken:
1. Luchtsamenstelling beïnvloeden: vacuüm verpakken, geen zuurstof = geen verbranding dus
niks kan er leven.
2. Vriesdrogen: drogen bij lage temperaturen, geen water en lage temperatuur zorgt ervoor dat
bacteriën langzaam vermeerderen, en cellen gaan kapot.
3. Veel suiker of zout toevoegen: de hoge concentratie stoffen onttrekt water aan bacteriën en
schimmels waardoor ze dood gaan (osmose)
4. Conserveringsmiddelen gebruiken: zuren verhinderen de ontwikkeling van bacteriën.
5. Temperatuur behandeling toepassen: behandelingen met hoge temperaturen doodt de
bacteriën
6. Doorstralen: verhitten helpt niet toxines af te breken, maar met behulp van gamma straling
gaat wel alles dood.
, Stappenplan natuurwetenschappelijk onderzoek:
Onderzoeksvraag -> hypothese -> materiaal en methoden -> resultaat en verwerking -> conclusie ->
discussie
Paragraaf 3:
Celmembraan: dubbele laag fosfolipiden met eiwitten. Kleine deeltjes kunnen door de celmembraan
heen en grotere stoffen hebben een transportkanaaltje nodig.
Celwand: gemaakt van lange ketens van glucose moleculen (zijn doorlaatbaar, permeabel)
Diffusie: het verplaatsen van deeltjes van een hoge concentratie naar een lage concentratie (kost
geen energie)
Osmose: transport van waterdeeltjes van een lage concentratie naar een hoge concentratie
Passief transport: kost geen energie (diffusie, osmose)
Actief transport: kost wel energie (natrium, kalium pomp)
Endocytose: de cel gebruikt een stukje van het celmembraan als verpakking/envelop om het deeltje
in de cel te transporteren.
Exocytose: de cel geeft stoffen af aan hun omgeving met behulp van transportblaasjes.
Osmotische waarde: geeft aan hoe groot de totale concentratie aan opgeloste deeltjes in een
oplossing is.
Hypertoon: oplossing met de hoogste osmotische waarden.
Hypotoon: oplossing met de laagste osmotische waarden.
Isotoon: vergelijkbare osmotische waarden.
Turgor: inhoud van cel duwt tegen de celmembraan. door hypotonische oplossing, drukt de vacuole
tegen de celwand.
Plasmolyse: het celmembraan laat los van de celwand. Door hypertonische oplossing, verliest de cel
water en krimpt die.
Binas tabellen: 79D, 67G3, 67F1/3
Hoofdstuk 3
Paragraaf 1
Micro- organismen: organismen die zo klein zijn dat je ze niet met het blote oog kan zien.
Voedsel infectie: besmetting via het voedsel zoals salmonella.
Voedsel vergiftiging: als schimmels en bacteriën toxinen (giftige afvalstoffen) afgeven die je ziek
maken.
Heterotrofe organismen: organismen die voor hun organische stoffen afhankelijk zijn van andere
organismen.
Autotroof organismen: organismen die hun organische stoffen maken van anorganische stoffen.
Bacteriën: zijn heterotroof en ze maken sporen voor verspreiding en overleving.
Schimmels: zijn heterotroof, en ze kunnen zich ongeslachtelijk vermeerden door middel van sporen
gevormd via een mycelium (groene schimmel)
Virussen: stukjes erfelijk materiaal (DNA of RNA) omgeven door een eiwitmantel. Vermeerderen door
gastheercel.
Ongeslachtelijke voortplanting: nageslacht hebben hetzelfde DNA als de ouders. (bacteriën,
virussen)
Geslachtelijke voortplanting: nageslacht is een combinatie van DNA van beide ouders.
Binas tabel 77
Paragraaf 2
Voedsel conserveer technieken:
1. Luchtsamenstelling beïnvloeden: vacuüm verpakken, geen zuurstof = geen verbranding dus
niks kan er leven.
2. Vriesdrogen: drogen bij lage temperaturen, geen water en lage temperatuur zorgt ervoor dat
bacteriën langzaam vermeerderen, en cellen gaan kapot.
3. Veel suiker of zout toevoegen: de hoge concentratie stoffen onttrekt water aan bacteriën en
schimmels waardoor ze dood gaan (osmose)
4. Conserveringsmiddelen gebruiken: zuren verhinderen de ontwikkeling van bacteriën.
5. Temperatuur behandeling toepassen: behandelingen met hoge temperaturen doodt de
bacteriën
6. Doorstralen: verhitten helpt niet toxines af te breken, maar met behulp van gamma straling
gaat wel alles dood.
, Stappenplan natuurwetenschappelijk onderzoek:
Onderzoeksvraag -> hypothese -> materiaal en methoden -> resultaat en verwerking -> conclusie ->
discussie
Paragraaf 3:
Celmembraan: dubbele laag fosfolipiden met eiwitten. Kleine deeltjes kunnen door de celmembraan
heen en grotere stoffen hebben een transportkanaaltje nodig.
Celwand: gemaakt van lange ketens van glucose moleculen (zijn doorlaatbaar, permeabel)
Diffusie: het verplaatsen van deeltjes van een hoge concentratie naar een lage concentratie (kost
geen energie)
Osmose: transport van waterdeeltjes van een lage concentratie naar een hoge concentratie
Passief transport: kost geen energie (diffusie, osmose)
Actief transport: kost wel energie (natrium, kalium pomp)
Endocytose: de cel gebruikt een stukje van het celmembraan als verpakking/envelop om het deeltje
in de cel te transporteren.
Exocytose: de cel geeft stoffen af aan hun omgeving met behulp van transportblaasjes.
Osmotische waarde: geeft aan hoe groot de totale concentratie aan opgeloste deeltjes in een
oplossing is.
Hypertoon: oplossing met de hoogste osmotische waarden.
Hypotoon: oplossing met de laagste osmotische waarden.
Isotoon: vergelijkbare osmotische waarden.
Turgor: inhoud van cel duwt tegen de celmembraan. door hypotonische oplossing, drukt de vacuole
tegen de celwand.
Plasmolyse: het celmembraan laat los van de celwand. Door hypertonische oplossing, verliest de cel
water en krimpt die.
Binas tabellen: 79D, 67G3, 67F1/3