Woordenlijst Kwalitatieve Criminologische methoden en technieken
H1: kwalitatief onderzoek & criminologische theorie
Grounded theory = je moet een analyse toevoegen aan de platte feiten als je tot enige
duiding wil komen
a-theoretisch paradigma = komt doordat men te makkelijk informatie van de overheid gaat
verzamelen, en te weinig zelf data verzamelen wat vaak zorgt voor betere inzichten
Verstehen = begrijpen van iemands handelen en de betekenis die daaraan geeft
Theorie = een bepaalde manier van kijken naar de werkelijkheid waar je hypothesen uit kunt
afleiden en die je helpt om conclusies te kunnen trekken uit onderzoeksgegevens
= bestaat uit een systematische en consistente redenering die volgt uit generalisering en
abstrahering onderzoeksgegevens
Narratieve methode = uit verschillende verhalen wordt 1 groot verhaal gemaakt
Etiologische theorieën = gericht op de oorzaken van criminologie
Sociale reactiebenaderng = theorieën die proberen verklaren welke functie
criminaliteitsbestrijding heeft
Consensusmodel = regels in de maatschappij zijn vastgesteld door een democratisch proces
Conflictmodel = regels in de maatschappij zijn opgelegd door diegene die als winnaar uit een
machtsstrijd komen
Subculturele strainbenadering = zoeken van verklaringen voor delinquent gedrag van een
groep jonge mannen die in een lage inkomensbuurt woonden
Labelling = perspectief waarin criminaliteit wordt gelezen als een specifieke vomr van
afwijkend gedrag, dat mede vorm wordt gegevens als een proces van strafrechterlijke
classificatie en categorisering
Symbolisch interactionisme = handelingen krijgen pas betekenis tussen 2 mensen, want ze
hebben geen natuurlijke betekenis
Significante anderen = diegene die hun oordeel het belangrijkste is voor jou
Stigma = als gevolg van stelselmatige stigmatisering raakt iemand zijn oorspronkelijke
identiteit kwijt en kan die zichzelf enkel nog in clichebeelden zijn
Theorie van secundaire deviantie = eerste keer dat iemand regelovertredend gedrag gaat
plegen heeft verschillende oorzaken, door sociale uitsluiting, sigma en stereotypering kan
regelovertredend gedrag een structureel karakter krijgen
Becker-Goulder-debat = debat tussen symbolisch interactionisme (Becker) en structuralisme
(Gouldner)
,Kritische criminologie = dynamiek tussen gedragingen en sociale relatie staat centraal
H2: Het kwalitatief onderzoeksdesign
Wat-vragen = tweeërlei aard
- Verkennend en aanleiding exploratief onderzeok
- Hoeveel of hoe groot vragen
Hoe-en waarom vragen = eerder verklarend van aard
- Beantwoorden met historisch, kwalitatief onderzoek en experimenten
Onderzoeksdoel = formuleren van het onderzoeksdoel in vage en algemene termen
Intellectuele redenen = redenen die vanuit wetenschapsbedrijg zelf aangedragen worden om
te kiezen
Praktische redenen = redenen die te maken hebben met het doel van een onderzoeksvraag
(men wil iets bereiken)
Persoonlijke redenen = een thema raakt een onderzoeker waardoor die de intrinsieke
motivatie heeft om dit thema te onderzoeken
Exploratief onderzoek = komen tot inzichten op een domein waar tot nu toe weinig inzicht
in is
Verklarend onderzoek = causale analyses waar op basis van statistische modellen
voorzichtige uitspraken worden gedaan over causaliteit van bepaalde verbanden
Beschrijvend onderzoek = aanleren van gedetailleerde beschrijvingen van een bepaalde case
Emancipatorisch onderzoek = onderzoek waarbij men niet alleen kennis wil opdoen, maar
ook een sociaal probleem wil aanpakken
Wetenschappelijke gemeenschap = de onderzoeker wil bijdragen aan de stand van kennis
over een bepaald onderwerp, men moet dan bewijzen dat het onderzoek nog nergens anders
gevoerd is
Beleidsmaker = stellen praktische vragen over hoe hun beleid kan geoptimaliseerd worden
- Explorerend = nieuwe gegevens verzamelen voor het opstellen van een optimaal
beleid
- Evaluerend = bestaand beleid aan evaluatie onderwerpen dmv onderzoek
Praktische relevantie = onderzoek dat rechtstreeks leidt naar het oplossen van specifieke
problemen
Onderzoekbaarheid = de mate waarin een onderzoeksvraag kan en mag leiden tot een
onderzoek
Haalbaarheid = de mate waarin een onderzoek uitvoerbaar is
- Tijd
, - Geld
- Bereikbaarheid en bereidheid
Cumulativiteit = gebruiken bestaande kennis om te komen tot nieuwe kennis
Sensititizing concepts = geven richting aan het kwalitatief onderzoek en maken de
onderzoeker gevoelig voor bepaalde belangrijke concepten die kunnen helpen bij het
beantwoorden van de vragen
Elementen van probleemstelling:
1) Situering van het onderzoeksdomein
2) Maatschappelijke en/of structurele verantwoording
3) Onderzoeksdoel
4) Onderzoeksvraag
5) Deelvragen in het onderzoek
6) Conceptuele kader
7) Situering van de methoden
8) Beperkingen ivm het onderzoek
4 grondvormen van kwalitatief onderzoek:
1) Kwalitatieve survey
2) Etnografische studie
3) Case study (gevalstudie)
4) Inhoudelijke analyse)
Purpose sampling = doelgerichte steekproef
Onderzoekspopulatie = grotere geheel dat in het onderzoek bestudeerd wordt
Steekproefkader = behoort tot het haalbaarheidsonderzoek, selectie adhv
steekproefmethoden
Steekproefmethoden:
1) Geen selectie
2) Typische case
3) Heterogeniteit/maximale variatie
4) Homogeniteit
5) Kritische case
6) Bevestigende en ontkennende case
7) Sneeuwbalsteekproef
8) Extreme/afwijkende cases
9) Opportunistisch
10) Pragmatisch (convenience sampling)
De theoretische steekproef = belangrijkste steekproefmethode
- Dataverzameling en steekproeftrekken zijn met elkaar verweven in een cyclisch
proces
- 2 fases:
1) Initiële ontwikkeling van de theorie
2) Uitbouw & valideren van inforamtie
H1: kwalitatief onderzoek & criminologische theorie
Grounded theory = je moet een analyse toevoegen aan de platte feiten als je tot enige
duiding wil komen
a-theoretisch paradigma = komt doordat men te makkelijk informatie van de overheid gaat
verzamelen, en te weinig zelf data verzamelen wat vaak zorgt voor betere inzichten
Verstehen = begrijpen van iemands handelen en de betekenis die daaraan geeft
Theorie = een bepaalde manier van kijken naar de werkelijkheid waar je hypothesen uit kunt
afleiden en die je helpt om conclusies te kunnen trekken uit onderzoeksgegevens
= bestaat uit een systematische en consistente redenering die volgt uit generalisering en
abstrahering onderzoeksgegevens
Narratieve methode = uit verschillende verhalen wordt 1 groot verhaal gemaakt
Etiologische theorieën = gericht op de oorzaken van criminologie
Sociale reactiebenaderng = theorieën die proberen verklaren welke functie
criminaliteitsbestrijding heeft
Consensusmodel = regels in de maatschappij zijn vastgesteld door een democratisch proces
Conflictmodel = regels in de maatschappij zijn opgelegd door diegene die als winnaar uit een
machtsstrijd komen
Subculturele strainbenadering = zoeken van verklaringen voor delinquent gedrag van een
groep jonge mannen die in een lage inkomensbuurt woonden
Labelling = perspectief waarin criminaliteit wordt gelezen als een specifieke vomr van
afwijkend gedrag, dat mede vorm wordt gegevens als een proces van strafrechterlijke
classificatie en categorisering
Symbolisch interactionisme = handelingen krijgen pas betekenis tussen 2 mensen, want ze
hebben geen natuurlijke betekenis
Significante anderen = diegene die hun oordeel het belangrijkste is voor jou
Stigma = als gevolg van stelselmatige stigmatisering raakt iemand zijn oorspronkelijke
identiteit kwijt en kan die zichzelf enkel nog in clichebeelden zijn
Theorie van secundaire deviantie = eerste keer dat iemand regelovertredend gedrag gaat
plegen heeft verschillende oorzaken, door sociale uitsluiting, sigma en stereotypering kan
regelovertredend gedrag een structureel karakter krijgen
Becker-Goulder-debat = debat tussen symbolisch interactionisme (Becker) en structuralisme
(Gouldner)
,Kritische criminologie = dynamiek tussen gedragingen en sociale relatie staat centraal
H2: Het kwalitatief onderzoeksdesign
Wat-vragen = tweeërlei aard
- Verkennend en aanleiding exploratief onderzeok
- Hoeveel of hoe groot vragen
Hoe-en waarom vragen = eerder verklarend van aard
- Beantwoorden met historisch, kwalitatief onderzoek en experimenten
Onderzoeksdoel = formuleren van het onderzoeksdoel in vage en algemene termen
Intellectuele redenen = redenen die vanuit wetenschapsbedrijg zelf aangedragen worden om
te kiezen
Praktische redenen = redenen die te maken hebben met het doel van een onderzoeksvraag
(men wil iets bereiken)
Persoonlijke redenen = een thema raakt een onderzoeker waardoor die de intrinsieke
motivatie heeft om dit thema te onderzoeken
Exploratief onderzoek = komen tot inzichten op een domein waar tot nu toe weinig inzicht
in is
Verklarend onderzoek = causale analyses waar op basis van statistische modellen
voorzichtige uitspraken worden gedaan over causaliteit van bepaalde verbanden
Beschrijvend onderzoek = aanleren van gedetailleerde beschrijvingen van een bepaalde case
Emancipatorisch onderzoek = onderzoek waarbij men niet alleen kennis wil opdoen, maar
ook een sociaal probleem wil aanpakken
Wetenschappelijke gemeenschap = de onderzoeker wil bijdragen aan de stand van kennis
over een bepaald onderwerp, men moet dan bewijzen dat het onderzoek nog nergens anders
gevoerd is
Beleidsmaker = stellen praktische vragen over hoe hun beleid kan geoptimaliseerd worden
- Explorerend = nieuwe gegevens verzamelen voor het opstellen van een optimaal
beleid
- Evaluerend = bestaand beleid aan evaluatie onderwerpen dmv onderzoek
Praktische relevantie = onderzoek dat rechtstreeks leidt naar het oplossen van specifieke
problemen
Onderzoekbaarheid = de mate waarin een onderzoeksvraag kan en mag leiden tot een
onderzoek
Haalbaarheid = de mate waarin een onderzoek uitvoerbaar is
- Tijd
, - Geld
- Bereikbaarheid en bereidheid
Cumulativiteit = gebruiken bestaande kennis om te komen tot nieuwe kennis
Sensititizing concepts = geven richting aan het kwalitatief onderzoek en maken de
onderzoeker gevoelig voor bepaalde belangrijke concepten die kunnen helpen bij het
beantwoorden van de vragen
Elementen van probleemstelling:
1) Situering van het onderzoeksdomein
2) Maatschappelijke en/of structurele verantwoording
3) Onderzoeksdoel
4) Onderzoeksvraag
5) Deelvragen in het onderzoek
6) Conceptuele kader
7) Situering van de methoden
8) Beperkingen ivm het onderzoek
4 grondvormen van kwalitatief onderzoek:
1) Kwalitatieve survey
2) Etnografische studie
3) Case study (gevalstudie)
4) Inhoudelijke analyse)
Purpose sampling = doelgerichte steekproef
Onderzoekspopulatie = grotere geheel dat in het onderzoek bestudeerd wordt
Steekproefkader = behoort tot het haalbaarheidsonderzoek, selectie adhv
steekproefmethoden
Steekproefmethoden:
1) Geen selectie
2) Typische case
3) Heterogeniteit/maximale variatie
4) Homogeniteit
5) Kritische case
6) Bevestigende en ontkennende case
7) Sneeuwbalsteekproef
8) Extreme/afwijkende cases
9) Opportunistisch
10) Pragmatisch (convenience sampling)
De theoretische steekproef = belangrijkste steekproefmethode
- Dataverzameling en steekproeftrekken zijn met elkaar verweven in een cyclisch
proces
- 2 fases:
1) Initiële ontwikkeling van de theorie
2) Uitbouw & valideren van inforamtie