Hoofdstuk 2 economie
(geld moet rollen!) Amélie Schot
Geldfuncties:
Geld gebruik je vaak om er goederen of diensten mee te kunnen kopen. Je gebruikt het geld
dan als ruilmiddel dit is een voorbeeld van indirecte ruil. Geld heeft meer functies zoals:
Ruilmiddel: je koopt of verkoopt goederen of diensten met geld.
Rekenmiddel: je kunt waarde van producten vergelijken.
Spaarmiddel: je geeft een deel van je inkomen niet uit om het later te kunnen
gebruiken.
Chartaal en giraal geld:
Contant geld (cash) = chartaal geld -> dat zijn alle munten en bankbiljetten die consumenten
en bedrijven bezitten.
Betaal rekeningen = giraal geld -> het staat online op een betaalrekening bij een bank.
Elektronisch betalen:
Je kunt op veel elektronische manieren betalen, denk aan pinnen of via je telefoon. Je kunt
ook via een creditcard betalen alleen moet je daar 18 jaar of ouder voor zijn, omdat je
onbeperkt kan kopen wat je wil en aan het eind van de maand van je rekening wordt
afgeschreven.
Debet- en creditsaldo:
Via internetbankieren heb je een overzicht van de betalingen en ontvangsten van je
rekening. Het bedrag dat je op je bank staat noem je saldo. Als het saldo op je bank in de +
staat noem je dat creditsaldo. Sta je in de - noem je dat debetsaldo. Over je schuld moet je
bij de meeste banken 10% debetrente betalen.
Nieuwe saldo = oud saldo + ontvangsten - betalingen.
Sparen:
Sparen betekend dat je een deel van je inkomen niet uitgeeft en dus opspaart voor bepaalde
redenen, dat noem je spaarmotieven. Je kan bijvoorbeeld sparen voor:
De rente die je over je gespaarde bedrag ontvangt.
Voor een bepaald doel.
Uit voorzorg (onverwachte uitgaven).
Rente:
Als je je spaargeld op een spaarrekening zet krijg je daaroverheen rente van de bank. Het
rente bedrag is afhankelijk van:
Het rentepercentage.
Hoogte van het spaarbedrag.
Hoelang je het beschikbaar stelt.
Als je geld voor een lange tijd kan missen kan je een spaardeposito nemen, je geld staat vast
tegen een vaste rente.
Rentebedrag = rentepercentage x spaarbedrag x jaren.
(geld moet rollen!) Amélie Schot
Geldfuncties:
Geld gebruik je vaak om er goederen of diensten mee te kunnen kopen. Je gebruikt het geld
dan als ruilmiddel dit is een voorbeeld van indirecte ruil. Geld heeft meer functies zoals:
Ruilmiddel: je koopt of verkoopt goederen of diensten met geld.
Rekenmiddel: je kunt waarde van producten vergelijken.
Spaarmiddel: je geeft een deel van je inkomen niet uit om het later te kunnen
gebruiken.
Chartaal en giraal geld:
Contant geld (cash) = chartaal geld -> dat zijn alle munten en bankbiljetten die consumenten
en bedrijven bezitten.
Betaal rekeningen = giraal geld -> het staat online op een betaalrekening bij een bank.
Elektronisch betalen:
Je kunt op veel elektronische manieren betalen, denk aan pinnen of via je telefoon. Je kunt
ook via een creditcard betalen alleen moet je daar 18 jaar of ouder voor zijn, omdat je
onbeperkt kan kopen wat je wil en aan het eind van de maand van je rekening wordt
afgeschreven.
Debet- en creditsaldo:
Via internetbankieren heb je een overzicht van de betalingen en ontvangsten van je
rekening. Het bedrag dat je op je bank staat noem je saldo. Als het saldo op je bank in de +
staat noem je dat creditsaldo. Sta je in de - noem je dat debetsaldo. Over je schuld moet je
bij de meeste banken 10% debetrente betalen.
Nieuwe saldo = oud saldo + ontvangsten - betalingen.
Sparen:
Sparen betekend dat je een deel van je inkomen niet uitgeeft en dus opspaart voor bepaalde
redenen, dat noem je spaarmotieven. Je kan bijvoorbeeld sparen voor:
De rente die je over je gespaarde bedrag ontvangt.
Voor een bepaald doel.
Uit voorzorg (onverwachte uitgaven).
Rente:
Als je je spaargeld op een spaarrekening zet krijg je daaroverheen rente van de bank. Het
rente bedrag is afhankelijk van:
Het rentepercentage.
Hoogte van het spaarbedrag.
Hoelang je het beschikbaar stelt.
Als je geld voor een lange tijd kan missen kan je een spaardeposito nemen, je geld staat vast
tegen een vaste rente.
Rentebedrag = rentepercentage x spaarbedrag x jaren.