Bachelor I Handelsingenieur
Prof. Alexandre Thys
INTRODUCTIE EN BASISBEGRIPPEN
Doel? Begrippen meegeven voor goede communicatie bedrijfsleiding en informatici
Onderwerp? Algoritmen
Mislukken informaticaprojecten:
- Geen afspraken
- verkeerde uitleg/interpretatie
-…
Business (kosten, voordelen, timing, …) ↔ IT (technologie, design, programmeren, …)
IT down = geen business
Hardware = alles wat je kan aanraken (tastbare gedeelte computer)
Input computer Output
Input = moederbord, stick, disc, gegevens, …
Output = beeld, geluid, …
Je steekt iets (input) in je computer zodat de computer dan een output kan genereren
Geheugen:
Extern geheugen = harde schijf (ook cd en dvd zijn externe componenten)
Intern geheugen = Ram/Rom werkgeheugen (wordt gewist wanneer computer
uitstaat)
CPU = central processing unit voert instructies door een programma uit
Software = opeenvolging van opdrachten geformuleerd door programma’s, kan ook data
omvatten
Niet tastbaar bv. wifi = hardware + software
Programma’s moeten omgezet worden in machinetaal (0/1) (kan opgedeeld worden in
modules)
Data = gegevens (ook programma’s)
Databank = georganiseerde verzameling van data
Bewaard door extern geheugen
Relationele databank = alles op een lijn plaatsen, alle gegevens opslaan in tabellen
met soortgelijke groepen bv. adressen met dezelfde postcode bij elkaar opslaan
Netwerk = computers die communiceren en data uitwisselen
Servers = computers die data bewaren en berekeningen maken
Internet = grootste internetwork
,Computerarchitectuur = fundamentele organisatie van computersystemen
Fase 1: mainframe
Fase 2: PC & client server
Fase 3: browser / cloud1
Processes business proces = opeenvolging van stappen met als doel het genereren
van een dienst
Informatiesysteem = hardware + software + processen + personen die het gebruiken
ALGORITMEN
Stappen bij het programmeren:
1. Probleemdefenitie Probleem? Doel?
2. Oplossingsstrategie problemen verdelen in kleinere problemen (modules), wat
moet er met elk deelprobleem gebeuren
3. Voorstelling van het algoritme schema in woorden bv. flow chart
4. Programmeren coderen = algoritme vertalen in programmeertaal (Python =
meest gebruikt, eenvoudig te gebruiken)
5. Compileren syntax-fouten opsporen, vertalen naar machinetaal (binair 1/0),
compiler vs interpreter
6. Testen resultaten moeten ook logisch correct zijn, controleren met andere
bewerking
7. Documenteren informatie vastleggen die helpt bij het begrijpen van het
programma
8. Onderhoud na verloop van tijd het programma aanpassen (ook aanpassingen
documenteren)
Algoritme = methode om een probleem op te lossen een opeenvolging van
opdrachten met beginsituatie die moet leiden tot een einddoel en binnen een bepaalde
tijd uitgevoerd moet worden
Moet op een ondubbelzinnige manier begrepen worden
Assembler = interpreteert programmeertaal van de 2e generatie (ook assembly language
genoemd) en wordt gebruikt om programmeertaal om te zetten naar machinetaal
Compiler Vertaalt menselijk verstaanbare code om in machinetaal
Interpreter vertaalt menselijk verstaanbare code lijn per lijn om in machinetaal en
slaat dit niet op
Het Algoritme kunnen we voorstellen in een organigram (flow chart) = een schema met
basisfiguren, instructies in figuren en de figuren zijn verbonden met pijlen (onderstaand
voorbeeld = in intern geheugen)
1
Komt verder in de samenvatting nog aan bod
2
, Alles draait om toekenning (assignment)
Selectie (of voorwaardelijke opdracht) = keuze die je moet maken
If then: If then else:
Case:
Iteratie = herhalingsopdracht
While: Repeat: bij while eerst keuze, bij repeat eerst actie
dan keuze
3