Cel= bouwsteen van alle eencellige en meercellige organismen (bv spiercellen, zenuwcellen)
Weefsel=cellen van dezelfde soort die instaan voor een bepaalde functie (bv spierweefsel,
bloed, bindweefsel, epitheelweefsel)
Orgaan=verschillende soorten weefsels die samen instaan voor een bepaalde functie (bv
mond, slokdarm, maag, dikke darm, hart)
Stelsel=verschillende organen samen die instaan voor een bepaalde functie (bv
spijsverteringstelsel, ademhalingsstelsel, zenuwstelsel)
Organisme= verschillende stelsels samen zorgen voor het zelfbehoud en het soortbehoud
van het individu (bv mens)
Celweefselorgaanorgaanstelselorganisme
- stelsel in
organisme=
bladerenstelsel
- Orgaan= blad
- Weefsel= grondweefsel
- Cel= plantencel
1. CELLEN EN WEEFSELS
1.1 de microscopische structuur van een cel
= plantaardige cel
Plantaardige cellen zijn groter dan dierlijke cellen
Celstructuur: kern, plastiden, celwand, cytoplasma
= dierlijke cel
Dierlijke cellen zijn kleiner dan plantaardige cellen
, Celstructuur:
kern,
celmembraan, cytoplasma
De cel blijkt op zijn beurt uit een groot aantal structuren te bestaan, elk met hun eigen bouw
en functie. Deze structuren worden celorganellen genoemd.
cytoplasma
protoplasma
kern
celmembraan celwand
1.2 de submicroscopische structuur van een cel