HC6. Algemene principes van de anesthesiologie en pijnbestrijding
Inhoud:
Leerboek anesthesie
o Hoofdstuk 4 Monitoring
o Hoofdstuk 8 inhalatie anesthetica
o Hoofdstuk 9 Intraveneuze anesthetica
o Hoofdstuk 10 Opioïden en antagonisten
o Hoofdstuk 11 Spierrelaxantia en antagonisten
o Hoofdstuk 12 Lokaal anesthetica
o Hoofdstuk 14 Algehele anesthesie
o Hoofdstuk 15 Locoregionale anesthesie
o Hoofdstuk 22 Preoperatief onderzoek
o 22.6 perioperatieve risico’s t/m 22.9 nuchter
Hoofdstuk 4 Monitoring
4.2 Standaard
Anesthesioloog moet beschikken over:
o Ecg
o Non-invasieve en intra arteriële bloeddrukmeter.
o Beademingsmeter
o Pulsoximeter
o Capnograaf
o Elektronische thermometer
o Gassen en dampen meter
o Zenuwstimulator
4.3 Cardiovasculaire monitoring
4.3.1 ECG
- Tijdens peroperatieve bewaking vaak 3 of 5 elektroden systeem.
- Afleidingen I, II, III, aVF, aVL, aVR en V5.
4.3.2 Bloeddrukmeting
Niet-invasief:
- Door band om ellenboog op te blazen.
- Te grote band geeft lage RR.
- Alleen moment opname, kan niet voor monitoring.
Invasief:
- Intra-arteriele katheter, meestal in de arteria radialis.
Centraal veneuze drukmeting (CVD)
- Gemeten met intrathroracale katheter in rechterartium.
- Katheter percutaan via vena jugularis interna, vena anonyma of vena
subclavia.
- Wordt gebruikt voor vullingstoestand van patient.
Drukmeting in arteria pulmonalis
- Atriapulmonaliskatheter meet RR in pulmonale circulatie.
- Maat voor linker atriumdruk en geeft indruk over preload van linker ventrikel.
- Normaal tussen 0-15 mmHg.
1
,4.3.3 Cardiac output
Invasief
- Atriapulmonaliskatheter met een thermometer berekenen de
temperatuurverandering van het bloed naar rechterventrikel en a. pulmonalis.
Hierdoor berekenen ze de HMV.
Minimaal invasief
1. Bio-impedantiemethode: elektroden meten systolische verandering, hierdoor kan
HMV bepaald worden.
2. Doppler-methode: snelheid van bewegende aortabloedstroom.
3. Pulse-contourmethode: monitoren met arteriele drukgolf.
4. CO2-rebreathing: HMV= CO2-productie/ veneuze CO2-hoeveelheid – arteriele
CO2 hoeveelheid
4.3.4 Hartfunctie: transoesofagale echocardiografie TEE
- Wordt gebruikt perioperatief voor:
> Contractiepatroon
> Functioneren hartkleppen
> Vulling hart
- HMV door ventrikel grootte tijdens systole en diastole
- Ischemie door afwijkingen van contractiepatroon; hypokinesie, akinesie en
paradoxale contractiepatroon.
- Stenose of insufficiëntie van kleppen door dopplertechniek.
4.4 Ventilatiemonitoring
4.4.1 Pulxometrie
- Met licht O2 in bloed meten.
4.4.2 Capnografie
- Bij een lage Co2 is er hyperventilatie.
- Soorten capnografie:
1. Side-streamcaonigraaf:
- Met een vertraging en sample flow kan teugvolume verlagen.
- Voordeel is geen zware sensor aan tube bevestigd is.
2. Mainstreamcapnograaf:
- Meetkop zit op de endotracheale tube, hierdoor teugvolume niet
verlaagd.
- Nadelen: gewicht, kwetsbaarheid, toename dode ruimte en risico op
brandwonden.
4.4.3 Meting van anesthesiedamp
1. Monochromatische apparatuur:
- Goedkoop en eenvoudig.
- Meet alle CH-verbindingen.
2. Polychromatische apparatuur:
- Meet ook bij hogere golflengten, hierdoor herkent hij anestheticum.
4.5 Lichaamstemperatuur
2
, - Alle anesthetica zorgen voor verlaging temperatuur door vasodilatatie en
warmtedistributie.
- Daling temperatuur bij algehele anesthesie: 0,5-1,5 C.
- Nadelen van temperatuur <36 C
> Oncomfortabel bij ontwaken uit anesthesie
> Rillen en verhoogd energie gebruik
> Negatief effect op bloedstolling
> Verhoogt kans op postoperatieve infecties
4.6 Neuromusculaire monitoring
- Meten van spierrelaxatie is om te voorkomen dat wakker wordt met restrelacatie.
Dit heeft nadelen als:
> Oncomfortabele voor patient.
> Hogere kans op hypoxische perioden.
> Hogere kans op pneumonie door niet diep ademen en niet goed hoesten.
> Hogere kans op atelectase.
- Meten door 2 elektroden bij pols die registreren of handmatig door te kijken hoe
krachtig de contracties zijn.
- Methodes stimulatie en relactiemeting:
1. Single twitch: om de 10 seconden een stimulus gegeven.
2. Train-of-four-stimulation (TOF): elke 20-30 seconden worden er 4 stimulus
gegeven aan zenuw.
3. Tetanische stimulatie: zenuw gestimuleerd met frequentie van 50 Hz voor 5
seconden.
4. Posttetanische contracties (PTC): gebruikt als TOF of single twitch geen
contracties laten zien. Eerst tetanische stimulus, daarna single twitch van 1
Hz. Na een PTC moet een pauze van 6 min komen zodat synapsspleet kan
herstellen.
5. Double-burststimulation: 2 korte tetanische stimulaties van 50 Hz.
4.7 Monitoring van CZS
4.7.1 EEG
- 21 elektroden, 16 kanaal eeg.
- Te zien:
> Bewustzijnsstadia
> Afwijkende patronen: focale epilepsie en asymmetrie als gevolg van
hersen tumor of infarct.
4.7.2 Anesthesiedieptemonitoring
- BIS monitor niet betrouwelijk bij het voorspellen van anesthesiesiepte.
- Wel betrouwbaar met Propofol.
- Lage BIS-waarde is geassocieerd met slechtere overleving.
4.7.3 Evoked potentials (EP)
- EP zijn signalen die kunstmatig worden opgewekt, zodat ze aan het eind van de
zenuwbaan gemeten kunnen worden. Zo kunnen we tijdens de operatie kijken of
zenuwbanen beschadigd zijn.
- Dampvormige anesthetica geeft demping op prikkelgeleiding.
- Vormen EP-monitoring:
3
Inhoud:
Leerboek anesthesie
o Hoofdstuk 4 Monitoring
o Hoofdstuk 8 inhalatie anesthetica
o Hoofdstuk 9 Intraveneuze anesthetica
o Hoofdstuk 10 Opioïden en antagonisten
o Hoofdstuk 11 Spierrelaxantia en antagonisten
o Hoofdstuk 12 Lokaal anesthetica
o Hoofdstuk 14 Algehele anesthesie
o Hoofdstuk 15 Locoregionale anesthesie
o Hoofdstuk 22 Preoperatief onderzoek
o 22.6 perioperatieve risico’s t/m 22.9 nuchter
Hoofdstuk 4 Monitoring
4.2 Standaard
Anesthesioloog moet beschikken over:
o Ecg
o Non-invasieve en intra arteriële bloeddrukmeter.
o Beademingsmeter
o Pulsoximeter
o Capnograaf
o Elektronische thermometer
o Gassen en dampen meter
o Zenuwstimulator
4.3 Cardiovasculaire monitoring
4.3.1 ECG
- Tijdens peroperatieve bewaking vaak 3 of 5 elektroden systeem.
- Afleidingen I, II, III, aVF, aVL, aVR en V5.
4.3.2 Bloeddrukmeting
Niet-invasief:
- Door band om ellenboog op te blazen.
- Te grote band geeft lage RR.
- Alleen moment opname, kan niet voor monitoring.
Invasief:
- Intra-arteriele katheter, meestal in de arteria radialis.
Centraal veneuze drukmeting (CVD)
- Gemeten met intrathroracale katheter in rechterartium.
- Katheter percutaan via vena jugularis interna, vena anonyma of vena
subclavia.
- Wordt gebruikt voor vullingstoestand van patient.
Drukmeting in arteria pulmonalis
- Atriapulmonaliskatheter meet RR in pulmonale circulatie.
- Maat voor linker atriumdruk en geeft indruk over preload van linker ventrikel.
- Normaal tussen 0-15 mmHg.
1
,4.3.3 Cardiac output
Invasief
- Atriapulmonaliskatheter met een thermometer berekenen de
temperatuurverandering van het bloed naar rechterventrikel en a. pulmonalis.
Hierdoor berekenen ze de HMV.
Minimaal invasief
1. Bio-impedantiemethode: elektroden meten systolische verandering, hierdoor kan
HMV bepaald worden.
2. Doppler-methode: snelheid van bewegende aortabloedstroom.
3. Pulse-contourmethode: monitoren met arteriele drukgolf.
4. CO2-rebreathing: HMV= CO2-productie/ veneuze CO2-hoeveelheid – arteriele
CO2 hoeveelheid
4.3.4 Hartfunctie: transoesofagale echocardiografie TEE
- Wordt gebruikt perioperatief voor:
> Contractiepatroon
> Functioneren hartkleppen
> Vulling hart
- HMV door ventrikel grootte tijdens systole en diastole
- Ischemie door afwijkingen van contractiepatroon; hypokinesie, akinesie en
paradoxale contractiepatroon.
- Stenose of insufficiëntie van kleppen door dopplertechniek.
4.4 Ventilatiemonitoring
4.4.1 Pulxometrie
- Met licht O2 in bloed meten.
4.4.2 Capnografie
- Bij een lage Co2 is er hyperventilatie.
- Soorten capnografie:
1. Side-streamcaonigraaf:
- Met een vertraging en sample flow kan teugvolume verlagen.
- Voordeel is geen zware sensor aan tube bevestigd is.
2. Mainstreamcapnograaf:
- Meetkop zit op de endotracheale tube, hierdoor teugvolume niet
verlaagd.
- Nadelen: gewicht, kwetsbaarheid, toename dode ruimte en risico op
brandwonden.
4.4.3 Meting van anesthesiedamp
1. Monochromatische apparatuur:
- Goedkoop en eenvoudig.
- Meet alle CH-verbindingen.
2. Polychromatische apparatuur:
- Meet ook bij hogere golflengten, hierdoor herkent hij anestheticum.
4.5 Lichaamstemperatuur
2
, - Alle anesthetica zorgen voor verlaging temperatuur door vasodilatatie en
warmtedistributie.
- Daling temperatuur bij algehele anesthesie: 0,5-1,5 C.
- Nadelen van temperatuur <36 C
> Oncomfortabel bij ontwaken uit anesthesie
> Rillen en verhoogd energie gebruik
> Negatief effect op bloedstolling
> Verhoogt kans op postoperatieve infecties
4.6 Neuromusculaire monitoring
- Meten van spierrelaxatie is om te voorkomen dat wakker wordt met restrelacatie.
Dit heeft nadelen als:
> Oncomfortabele voor patient.
> Hogere kans op hypoxische perioden.
> Hogere kans op pneumonie door niet diep ademen en niet goed hoesten.
> Hogere kans op atelectase.
- Meten door 2 elektroden bij pols die registreren of handmatig door te kijken hoe
krachtig de contracties zijn.
- Methodes stimulatie en relactiemeting:
1. Single twitch: om de 10 seconden een stimulus gegeven.
2. Train-of-four-stimulation (TOF): elke 20-30 seconden worden er 4 stimulus
gegeven aan zenuw.
3. Tetanische stimulatie: zenuw gestimuleerd met frequentie van 50 Hz voor 5
seconden.
4. Posttetanische contracties (PTC): gebruikt als TOF of single twitch geen
contracties laten zien. Eerst tetanische stimulus, daarna single twitch van 1
Hz. Na een PTC moet een pauze van 6 min komen zodat synapsspleet kan
herstellen.
5. Double-burststimulation: 2 korte tetanische stimulaties van 50 Hz.
4.7 Monitoring van CZS
4.7.1 EEG
- 21 elektroden, 16 kanaal eeg.
- Te zien:
> Bewustzijnsstadia
> Afwijkende patronen: focale epilepsie en asymmetrie als gevolg van
hersen tumor of infarct.
4.7.2 Anesthesiedieptemonitoring
- BIS monitor niet betrouwelijk bij het voorspellen van anesthesiesiepte.
- Wel betrouwbaar met Propofol.
- Lage BIS-waarde is geassocieerd met slechtere overleving.
4.7.3 Evoked potentials (EP)
- EP zijn signalen die kunstmatig worden opgewekt, zodat ze aan het eind van de
zenuwbaan gemeten kunnen worden. Zo kunnen we tijdens de operatie kijken of
zenuwbanen beschadigd zijn.
- Dampvormige anesthetica geeft demping op prikkelgeleiding.
- Vormen EP-monitoring:
3