HFST 10: Vrouwelijk voortplantingsstelsel
1. Anatomie
- Ovaria
- Tuba uterina
- Uterus + placenta
- Vagina
- Cervix = onderdeel van de uterus (maar doordat de pathologie heel anders is dan de uterus
wordt dit apart besproken)
1.1. Ovarium
- Ovarium hangt op aan een vaatsteel (meso) en
een ligament
o Meso of vaatsteel: arteriën, venen en
bezenuwing komen binnen
- Door het feit dat het ovarium opgehangen is
aan deze 2 punten kan het draaien/knikken
rond deze 2
o Dit kan aanleiding geven tot torsie en
infarcering → veneuze bloedvat wordt
dichtgeknikt, arteriële bloedvat kan
nog wel bloed doorlaten en op deze
manier een opvulling/infart van het ovarium teweegbrengt
- Vrij hard aanvoelend
- Zeer dens stroma met hierin verschillende follikels
- Ovarium is omgeven door een dik collageen kapsel = tunica albuginea = collageen
bindweefsel (hard en zeer stevig)
o Op de tunica albuginea ligt germinatief epitheel = eenlagig epitheelbekleding op de
buitenkant van het ovarium
▪ Belangrijkste tumor van het ovarium is een ovariumcarcinoom (‘carcinoom’
= maligne tumor van epitheliale origine)
▪ 2e theorie: ovariumcarcinoom ontstaat eigenlijk vanuit tuba uterina= aan
binnenzijde afgelijnd met cilindrisch epitheel
- Follikels in alle stadia weergegeven
o Kleine en grote, maar ook resten
o Restmateriaal = corpus luteum (luteum = geel → geel lichaampje)
o = restant van follikel na ovulatie
o Corpus luteum verdwijnt na een tijdje, dit geeft een restant/litteken = corpus
albicans (wit lichaampje)
, - Ook follikels kunnen tumoren ontwikkelen = teratoma = tumor die ontstaat uit germinatieve
cellen → hebben de mogelijkheid om alle weefsels te vormen (komt haar in voor, talg,
tanden, darmen, hersenweefsel, ..)
Ovariële follikels
- Liggen in de cortex, omgeven door stroma (bindweefsel met ontstekingscellen, bloedvaten,
…)
o Stroma bevat heel veel collageen bindweefsel = ovarium heel hard aspect
- Bestaan uit een oocyt (eicel) omgeven door een of meerdere lagen follikelcellen
- Belangrijk: sommige cellen veranderen van naam → cellen die we nu follikelcellen noemen,
worden straks granulosa cellen genoemd
o Follikelcellen = rustende cellen
o Granulosacellen = geactiveerde cellen
- In de ovaria van een jonge vrouw ongeveer 400 000 follikels
o Meeste ondergaan atresie = verdwijnen zonder dat zij in cyclus gaan
- Bij iedere menstruele cyclus gaan er een aantal follikels in cyclus (deze groep noemen we
cohorte)
o Van deze cohorte gaan de meeste verdwijnen = atresie (komen nooit tot
ontwikkeling, of komen tot ontwikkeling maar stoppen dan)
o Slechts 1 follikel (dominante follikel in het functionele ovarium zal ovuleren
- In het leven ovuleren ongeveer 450 follikels
- Verschillende types ovariële follikels
Primordiale follikels
STROMA
- = onrijpe, rustende follikels FOLLIKELCELLEN
- Meisje wordt hiermee geboren
- Eicel omgeven door 1 laag platte, folliculaire, kubische cellen
- Meest frequent in foetus
o Aantal momenten waar dit heel erg afneemt = EICEL
pubertijd
- Oocyt
o Ongeveer 25 micrometer in diameter `(wordt nog veel groter
o Grote nucleolus
Groeiende follikels
- Een aantal follikels gaan groeien (cohorte)
- Oocyt groeit van 25 micrometer naar 150 micrometer
- Nucleus en nucleolus vergroot
- Organellen nemen toe in grote en aantal
- Follikelepitheelcellen beginnen te zwellen = unilaminaire primaire follikel (1-lagig)
- Follikelcellen beginnen te delen = multilaminaire primaire follikel
o Cellen nemen toe in grootte en vorm, organellen nemen toe
o = sprake van granulosacellen
- Zona pellucida
o = dikke basale membraan rond de oocyt die zicht tussen de oocyt en de groeiende
granulosacellaag bevindt
o = vrij dikke eischaal
- MAAR de oocyt en de granulosacellen blijven wel met elkaar in verbinding door filopodia
(celuitsteekselsel) uit te zenden die elkaar raken en een verbinding vormen
o Gap junctions (chemische verbinding) tss verschillende cellen
- Rond het follikel = specialisatie van de stroma
o Theca interna (theca = doosje → binnenste doosje)
1. Anatomie
- Ovaria
- Tuba uterina
- Uterus + placenta
- Vagina
- Cervix = onderdeel van de uterus (maar doordat de pathologie heel anders is dan de uterus
wordt dit apart besproken)
1.1. Ovarium
- Ovarium hangt op aan een vaatsteel (meso) en
een ligament
o Meso of vaatsteel: arteriën, venen en
bezenuwing komen binnen
- Door het feit dat het ovarium opgehangen is
aan deze 2 punten kan het draaien/knikken
rond deze 2
o Dit kan aanleiding geven tot torsie en
infarcering → veneuze bloedvat wordt
dichtgeknikt, arteriële bloedvat kan
nog wel bloed doorlaten en op deze
manier een opvulling/infart van het ovarium teweegbrengt
- Vrij hard aanvoelend
- Zeer dens stroma met hierin verschillende follikels
- Ovarium is omgeven door een dik collageen kapsel = tunica albuginea = collageen
bindweefsel (hard en zeer stevig)
o Op de tunica albuginea ligt germinatief epitheel = eenlagig epitheelbekleding op de
buitenkant van het ovarium
▪ Belangrijkste tumor van het ovarium is een ovariumcarcinoom (‘carcinoom’
= maligne tumor van epitheliale origine)
▪ 2e theorie: ovariumcarcinoom ontstaat eigenlijk vanuit tuba uterina= aan
binnenzijde afgelijnd met cilindrisch epitheel
- Follikels in alle stadia weergegeven
o Kleine en grote, maar ook resten
o Restmateriaal = corpus luteum (luteum = geel → geel lichaampje)
o = restant van follikel na ovulatie
o Corpus luteum verdwijnt na een tijdje, dit geeft een restant/litteken = corpus
albicans (wit lichaampje)
, - Ook follikels kunnen tumoren ontwikkelen = teratoma = tumor die ontstaat uit germinatieve
cellen → hebben de mogelijkheid om alle weefsels te vormen (komt haar in voor, talg,
tanden, darmen, hersenweefsel, ..)
Ovariële follikels
- Liggen in de cortex, omgeven door stroma (bindweefsel met ontstekingscellen, bloedvaten,
…)
o Stroma bevat heel veel collageen bindweefsel = ovarium heel hard aspect
- Bestaan uit een oocyt (eicel) omgeven door een of meerdere lagen follikelcellen
- Belangrijk: sommige cellen veranderen van naam → cellen die we nu follikelcellen noemen,
worden straks granulosa cellen genoemd
o Follikelcellen = rustende cellen
o Granulosacellen = geactiveerde cellen
- In de ovaria van een jonge vrouw ongeveer 400 000 follikels
o Meeste ondergaan atresie = verdwijnen zonder dat zij in cyclus gaan
- Bij iedere menstruele cyclus gaan er een aantal follikels in cyclus (deze groep noemen we
cohorte)
o Van deze cohorte gaan de meeste verdwijnen = atresie (komen nooit tot
ontwikkeling, of komen tot ontwikkeling maar stoppen dan)
o Slechts 1 follikel (dominante follikel in het functionele ovarium zal ovuleren
- In het leven ovuleren ongeveer 450 follikels
- Verschillende types ovariële follikels
Primordiale follikels
STROMA
- = onrijpe, rustende follikels FOLLIKELCELLEN
- Meisje wordt hiermee geboren
- Eicel omgeven door 1 laag platte, folliculaire, kubische cellen
- Meest frequent in foetus
o Aantal momenten waar dit heel erg afneemt = EICEL
pubertijd
- Oocyt
o Ongeveer 25 micrometer in diameter `(wordt nog veel groter
o Grote nucleolus
Groeiende follikels
- Een aantal follikels gaan groeien (cohorte)
- Oocyt groeit van 25 micrometer naar 150 micrometer
- Nucleus en nucleolus vergroot
- Organellen nemen toe in grote en aantal
- Follikelepitheelcellen beginnen te zwellen = unilaminaire primaire follikel (1-lagig)
- Follikelcellen beginnen te delen = multilaminaire primaire follikel
o Cellen nemen toe in grootte en vorm, organellen nemen toe
o = sprake van granulosacellen
- Zona pellucida
o = dikke basale membraan rond de oocyt die zicht tussen de oocyt en de groeiende
granulosacellaag bevindt
o = vrij dikke eischaal
- MAAR de oocyt en de granulosacellen blijven wel met elkaar in verbinding door filopodia
(celuitsteekselsel) uit te zenden die elkaar raken en een verbinding vormen
o Gap junctions (chemische verbinding) tss verschillende cellen
- Rond het follikel = specialisatie van de stroma
o Theca interna (theca = doosje → binnenste doosje)