De verlichting
Kenmerkend Aspect: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle
terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek en sociale verhoudingen.
De verlichting was een periode waarin een kritische houding ontstond tegenover geloof en
traditie en er groot vertrouwen was in het verstand (ratio).
Rationalisme: - gevolg van de wetenschappelijke revolutie
- wetenschappers hadden vertrouwen op hun verstand en probeerden de
de wereld te begrijpen doormiddel van het logisch nadenken (rationalisme)
en het waarnemen (empirisme) ( met behulp van experimenten).
Voor de verlichting geloofde de meeste mensen dat God een directe invloed op alles wat er
gebeurde in hun leven. Ze volgden bepaalde regels en voerden bepaalde rituelen uit om God
gunstig te stemmen. Het volgen van die regels en rituele gaf mensen een gevoel van
eenheid en zekerheid.
Tijdens de verlichting waren een aantal wetenschappers kritisch op de kerk. Ze vonden dat
het geloof niet zonder logisch bewijs moest worden aangenomen. Ze zochten naar logische
verklaringen voor (natuur)verschijnselen en bestudeerden de geschriften in de Bijbel.
Ondanks hun kritische houding waren de meeste wetenschappers wel gelovig. Ze geloofden
dat God belangrijk was maar dat de mens zijn eigen verstand moest gebruiken als leidraad
voor zijn handelingen. De verlichte filosoof Voltaire beweerde bijvoorbeeld dat God de
aarde, de mens en de natuurwetten wel geschapen , maar bemoeide zich niet constant met
de wereld. Die bewering wordt deïsme genoemd.
Deze manier van denken werd in die tijd niet geaccepteerd en mensen die die ideeën
verspreiden werden meestal gestraft.
, Verlichte denkers
Voltaire: - voor tolerantie en godsdienstvrijheid
- deïsme: god heeft de aarde en de mens geschapen maar houdt zich
niet actief mee bezig
- is wel voorstander van een absolute vorst -> omdat dat nodig zou zijn om het
“domme” volk te regeren
Rousseau: - voor volkssoevereiniteit (het volk aan de macht)
- tegen absolutisme
- voor sociaal contract (afspraken (soort wetten) die gelden voor de bevolking)
- tegen de standensamenleving – voorstander van gelijkheid
Locke: - voor sociaal contract
- voor natuurlijke burgerrechten -> leven, vrijheid en eigendom -> belangrijk voor
de huidige grondrechten
Montesquieu: - voor de trias politica -> scheiding van de machten -> uitvoerende,
rechterlijke en wetgevende macht
- tegen het absolutisme
Adam Smith: - vond dat de overheid zich zo min mogelijk met de economie moest
bemoeien -> vrijhandel
* Het is belangrijk om te benadrukken dat de verlichting met name plaatsvond bij rijke
burgers. De werkende derde stand hield zich (vooral in het begin) weinig bezig met de
verlichtingsideeen.
Verlicht absolutisme
Een aantal vorsten voerde na aanleiding van de verlichtingsidealen hervormingen door. Ze
stimuleerden kunst en wetenschap, beperkten het gebruik van lijfstraffen en streefden naar
onderwijs voor alle kinderen.