Het circulatiestelsel deel 2
Delen van het circulatiestelsel
- Hart en bloedvatenstelsel
- Bloed en lymfe
- Het lymfevatenstelsel
Algemene functies van het circulatiesysteem
- Verversen van de weefselvloeistof
- Afweerfunctie
Cel bekijken als een vis in een aquarium. Vis moet ook eten en proper water krijgen. Als dit
niet gebeurt dan sterft de vis. Dit is net hetzelfde als met de cel.
Bloed
- Vloeibaar steunweefsel
- Bestaat uit:
o Bloed
o Lymfe
o Weefselvocht
- Zit in waterige matrix
- Matrix → bloedplasma
- Standaard mens 5L
Haal je alle cellen uit bloed dan heb je plasma over. De cellen zwemmen in deze matrix.
Bloedcellen en bloedplaatjes
- 2 soorten bloedcellen
o Erytrocyten (rode bloedcellen)
o Leukocyten (witte bloedcellen)
- Trombocyten →geen cellen → functie bij bloedstolling
Celtypen
- Erytrocyt → zuurstoftransport
- Leukocyten → afweer en immuniteit (denken aan dokters in witte jassen)
- Trombocyten → bloedstolling
,Lichaam en mond 1 samenvatting januari
Erytrocyten
- Functie: transport van zuurstof
- Platte ronde schijf
- Ingedeukt aan beide kanten
- Geen kern
- Geen mitochondriën
- Eiwit hemoglobine
- Hemoglobine → rode kleur → ingebouwde ijzeratoom
- Groot zuurstofbindend vermogen
- Gebonden zuurstof los
- Diffusieafstand klein
- Vervormbaar → nauwste capillair
- Leven niet lang
- Dode erytrocyten → afgebroken in milt en lever
- Geproduceerd in rode beenmerg
- IJzer atomen → hergebruiken
- Giftige stof → bilirubine → afgevoerd via de ontlasting en urine
Leukocyten
- Functie: verzorgen
- Minder talrijk → erytrocyten
- Verschillende leukocyten
o Granulocyt
o Lymfocyt
o Monocyt
- Kern
- Organel
- Beweegt in richting van de indringer
- Doden door fagocyteren
Granulocyt
- Grote kern
- Veel korrels
- Opruimen → ziekteverwekkers, dode of aangetaste lichaamscellen
- Treed uit bloedbaan →leukodiapedese
- Aanmaak: rode beenmerg
- Etter → dode granulocyt
Monocyten
- C-vormige kern
- Grootste leukocyten
- Aanmaak: rode beenmerg
- Bloedbaan verlaten → leukodiapedese
- Dringt binnen → geïnfecteerd weefsel → veranderen in macrofagen
- Ruimt →ziekteverwekkende en aangetaste lichaamscellen op
- Macrofagen
,Lichaam en mond 1 samenvatting januari
Lymfocyten
- Kleine cellen
- Grote celkern
- Toenemen → infectie bestrijden
- Zorgt → specifieke immuniteit
- Aanmaak: rode beenmerg
Trombocyten
- Functie: bloedstolling (hemostase)
- Aanmaak: rode beenmerg
- Bestaat uit: celplasma en celmembraan
- Geen kern
Leukodiapedese
- Monocyten en granulocyten treden uit bloedbaan
- Verhoogde permeabiliteit →bloedvat
- Signaalstoffen gemaakt → eigen cellen
o Histamine
o Prostaglandinen
o Interferon
o Cytokinen
Hemostase (bloedstolling)
1: lokale vasoconstrictie
2: plaatjes hechten aan wonde en vormen een plaatjesprop
3: de stollingscascade in gang gebracht → plaatjesfactor en weefselfactor
Doel stollingscascade: fibrinogeen—fibrine
4: weefselherstel
Na hemostase → weefselherstel
Histamine veroorzaakt vasodilatatie
(Verhoogde aanvoer van O2 en voedingsstoffen)
Fybriogeen= stof dat ervoor zorgt dat het bloed stolt
Hemostase is bloedvernauwing →bloedvorming →fibrinogeen →weefselherstel
Hematopoëse (bloedcelvorming)
- Plaats:
o Rode beenmerg en lymfoïde organen
- Volgorde:
o Stamcel → blasten → cysten
- Rode beenmerg zit tussen substantia spongiosa
Bij kinderen vind je dit in alle beenderen. Bij volwassenen vind je ze
bij een aantal beenderen
Bloedcellen bestaan vanuit stamcellen
, Lichaam en mond 1 samenvatting januari
Jonge cel → blast
Odontoblast → jonge bot cel
Cyt → volwassen cellen
Belangrijk:
Tot de bloedcellen behoren: erytrocyten, leukocyten (granulocyten, monocyten, lymfocyten)
en trombocyten.
Erytrocyten voeren zuurstof met behulp van hemoglobine een ijzerhoudend eiwit.
Erytrocyten worden continu afgebroken in leven en milt. Bilirubine (afbraakproduct van
hemoglobine) wordt uitgescheiden en de ijzeratomen worden hergebruikt bij de aanmaak
van nieuwe erytrocyten.
Leukocyten zorgen voor de immuniteit. 3 groepen leukocyten zijn granulocyten, monocyten
en lymfocyten.
Trombocyten zijn onmisbaar bij de bloedstolling. Hemopoëse vindt plaats in het rode
beenmerg (erytrocyten, trombocyten en leukocyten) en in lymfoïde organen (lymfocyten
Bloedplasma
- 90% water
- Elektrolyten
- Plasma-eiwitten
- Bloedgassen
- Tijdelijke aanwezige stoffen
Water
- Darmkanaal → bloed terecht
- Water uit bloedbaan → uitscheiding nieren en huid
- Minder via ademhaling en ontlasting
- Warmtebuffer
- Oplosmiddel voor stoffen → bloedsomloop vervoerd worden
o Zoals: voedingsstoffen en elektrolyten
Elektrolyten
- Zout valt uiteen in water (in positieve en negatieve deeltjes)
- Belangrijkste elektrolyten zijn
o Natrium (Na+)
o Kalium (K+)
o Calcium (Ca2+)
o Magnesium (Mg2+)
o Chloor (Cl-)
o Waterstofcarbonaat of bicarbonaat (HCO3-)
- Ionenconcentratie belangrijk voor kristalloïd-osmotische waarde (KOW) → bloed
- Zoution omgeven door watermolecule
- Hoeveelheid watermolecule rond de zoution hangt af van ionsoort
- Bv: natriumion heeft dikkere watermantel dan kaliumion