Tijdens de veertiende eeuw stierf één derde van de Europese bevolking. Sommigen stierven
door lokale hongersnoden. Maar de meeste mensen overleden met de komst van de zwarte
dood in 1348. Historici twijfelen over de fysiologische herkomst van de plaag maar zijn het er
over eens dat het een cruciaal effect had op het sociale leven in Europa. Gecultiveerde
landgoederen werden verlaten en de handel werd verstoord. Prijzen, lonen en inkomens
veranderden onregelmatig. Doordat er een tekort ontstond aan landarbeiders konden de
overlevenden van de zwarte dood hogere lonen vragen. Landeigenaren en stedelijke
werkgevers stierven grote schaal waardoor armen geen werk konden vinden en zich toelegden
op bedelen. De elite probeerde doormiddel van parlementen de lonen en prijzen te
controleren. Er braken in Frankrijk en Engeland opstanden uit. Regeringen en de adellijke
klasse onderdrukten de opstanden. De landeigenaren die afhankelijk waren van de boeren
voor hen inkomen moesten concessies leveren. De landarbeiders kregen eigendomsrechten
inruil voor een vast geldbedrag. Na verloop van tijd werd het landgoed erfelijk maar het
geldbedrag nam in waarde af. Hierdoor kwam rond 1600 een klasse van kleine boeren op dat
land in eigen bezit had.
De koningen waren sinds de elfde eeuw bezig met het opbouwen van een machtsbasis tegen
de kerk en edelen. Maar door de komst van de zwarte dood werden hun problemen
gecompliceerder. Zij moesten hen overheden in stand houden terwijl een groot deel van hun
onderdanen stierf. De geldéénheid werd verlaagd om genoeg inkomen te krijgen voor het
bestrijden van de opstanden. De koningen van Frankrijk en Engeland gingen in 1300 voor het
eerst de geestelijken belasten en verhoogden de belastingen voor edelen en handelaren. Tegen
de nieuwe belastingen werd verzet geboden of onderwerp van discussie gemaakt die
plaatsvond in de opgerichte parlementen.
In 1337 begon de Honderdjarige Oorlog. De oorlog werd gevochten in Frankrijk. Engeland en
Frankrijk leek in eerste instantie te verliezen van Engeland. Maar geinspireerd door Joan
D’Arc boekten de Fransen militaire overwinningen. De oorlog eindigde uiteindelijk in 1453.
Ondertussen was de katholieke kerk ernstig verzwakt. De kerk had geen contact meer met zijn
volgelingen en werd corrupt. Het was niet instaat zichzelf te hervormen en was niet bereidt
anderen de kerk te laten hervormen. Na het overlijden van Bonifatius VIII en met de
toegenomen invloed van de Franse koning op de kardinalen werd de macht over de paus
uitgebreid tijdens de Babylonische gevangenschap. Met de verkiezing van twee pausen werd
men onzeker over bij welke paus de ware redding kon worden gevonden. Koningen en
priesters zetten zich af tegen de geestelijkheid. Invloedrijke personen pleitten voor de
bijeenkomst van een kerkraad. In 1409 werd dit gerealiseerd met de bijeenkomst van in Pisa
en in 1414 in Constance. Er werden drie doelen opgesteld het eindigen van het schisma , het
uitroeien van ketterij en het hervormen van de kerk. De kerk kreeg gelijdelijk meer macht
over de kerkraden. De kerkraden waren tevens sterk verzwakt door de Pragmatische Sanctie
van Bourges in 1438 waardoor de macht van de Franse koning over geestelijkheid toenam.