WPO Module beginselen van de kinesitherapie II
Inleiding tot het kinesitherapeutisch functieonderzoek
1. Wat wordt er op het examen bevraagd?
• 1 techniek uit het kinesitherapeutisch functie onderzoek
• 1 zachte weefsel techniek (ZWT)
2. Examenvorm
• Praktijk examen:
o Aangeleerde technieken en vaardigheden worden tijdens het examen
gedemonstreerd op een medestudent
• Semi-stil examen:
o Tijdens het praktijk examen is het woord aan de student, de examinator zal geen extra
vragen stellen terwijl de student de gevraagde technieken uitvoert en verduidelijkt.
Enkel na afloop van het examen kan de examinator 1 bijkomende vraag stellen
gerelateerd aan de uit te voeren technieken (kennis/inzicht/uitvoering/...).
o Als student laat je zien wat kan (uitvoering), verduidelijk je wat je doet, waar je op zal
letten en geef je de nodige (relevante!) achtergrondinformatie en anatomische kennis
(cfr. 3. aandachtspunten voor het examen).
3. Wat zijn de aandachtspunten voor het examen (niet-limitatief!)
• Uitgangshouding patiënt
• Uitgangshouding therapeut
• Respect materiaal (handdoek, bescherming tafel,…)
• Technische uitvoering (handenplaatsing, palpatie, richtingen,…)
• Redenering bij aanpassing van techniek
• Achtergrondinformatie (interpretatie van bewegingsuitslag/test,…)
• Anatomische kennis (gerelateerd aan de techniek), met inclusie van rol-glij mechanisme
• Rek en compressie van verschillende structuren
• Range of motion
• Eindgevoel + uitleg hierover
• Vergelijking met de andere zijde
4. Welke informatie willen we uit het functieonderzoek halen?
• Eindgevoel:
└ Kenmerkende limiet (rek en compressie):
o Beweging /p/ langzaam uitvoeren tot 1ste weerstand, dan de beweging zoekend
voortzetten
o Hard (bot op bot), zacht (weke delen) of elastisch (kapsel-band)
• Optreden van pijn
• Bewegingsuitslag (ROM)
• Optreden van crepitaties of geluiden
• Trajectweerstand: optreden van weerstand tijdens de beweging
• Altijd links-rechts vergelijken!
1
,5. Enkele basisafspraken
• Te onderzoeken lichaamsdeel is ontbloot
• Patiënt en therapeut in ontspannen en ergonomische positie
• Alle vrijheidsgraden evalueren
• Proximale botstuk fixeren, distale botstuk bewegen (in regel)
• Bilateraal evalueren
• Een gestandaardiseerde uitvoering van elke techniek is van groot belang. Wees dus steeds
consequent en kritisch op je uitvoering
• Alle veiligheidsafspraken dienen gerespecteerd te worden
6. Welke informatie willen we uit het specifiek functieonderzoek halen?
• Joint-play in gewricht
• Differentiëren tussen gewrichten
• Differentiëren tussen weefsels
• Invloed nagaan van translatie (en angulatie) op ROM en reactiviteit (brug naar therapie)
7. Definitie van een mobilisatie
“ Bewegingsactiviteiten door de patiënt uitgevoerd (actief ó passief) met als doel de
gewrichten te bewegen om hun normale of fysiologische bewegingsgraad te bewaren of
herwinnen”
8. Mobilisatievormen
8.1 Actief
Ø Zuiver
Ø Met aandringen
Ø Ritmisch
8.2 Passief
Ø Met mechanisch hulpmiddel
Ø Door therapeut:
- Angulair
- Tractie
= rechtlijnig
= loodrecht op de raaklijn door het raakpunt tussen de gewrichtspartners
= Pitellotractie, ‘Take of the slack’
2
, - Translatie
= richting van de raaklijn door het raakpunt van gewrichtspartners
= geen hoekverandering
= loodrecht op tractierichting
- Gecombineerde Tractie-translatie
8.3 Activo-passief
9. Rol-glijmechanisme (“Kaltenborn”)
o Elke beweging = combinatie van rollen en glijden
o Richting van de glijbeweging (translatie) is meestal afhankelijk van de vorm van het
bewegend botstuk: convex of concaaf?
o Concaaf: translatie = rol
o Convex: translatie >< rol
3
, 10. Algemene principes
o 1 gewrichtspartner fixeren, 1 gewrichtspartner bewegen
o Fixatie dicht bij het gewricht
o Plaats de handen zo dicht bij het gewricht (en dus zo dicht mogelijk bij elkaar)
o Uitzonderingen hierop zijn mogelijk, deze worden dan duidelijk toegelicht
o Nooit een extra gewricht overkruisen. Bij uitzonderingen zal dit duidelijk worden aangehaald
in de les
o Gelijknamige hand/homolaterale hand: vb. linkerhand bij onderzoeken van linkervoet
o Niet-gelijknamige hand/heterolaterale hand: vb. rechterhand bij onderzoeken van linkervoet
4
Inleiding tot het kinesitherapeutisch functieonderzoek
1. Wat wordt er op het examen bevraagd?
• 1 techniek uit het kinesitherapeutisch functie onderzoek
• 1 zachte weefsel techniek (ZWT)
2. Examenvorm
• Praktijk examen:
o Aangeleerde technieken en vaardigheden worden tijdens het examen
gedemonstreerd op een medestudent
• Semi-stil examen:
o Tijdens het praktijk examen is het woord aan de student, de examinator zal geen extra
vragen stellen terwijl de student de gevraagde technieken uitvoert en verduidelijkt.
Enkel na afloop van het examen kan de examinator 1 bijkomende vraag stellen
gerelateerd aan de uit te voeren technieken (kennis/inzicht/uitvoering/...).
o Als student laat je zien wat kan (uitvoering), verduidelijk je wat je doet, waar je op zal
letten en geef je de nodige (relevante!) achtergrondinformatie en anatomische kennis
(cfr. 3. aandachtspunten voor het examen).
3. Wat zijn de aandachtspunten voor het examen (niet-limitatief!)
• Uitgangshouding patiënt
• Uitgangshouding therapeut
• Respect materiaal (handdoek, bescherming tafel,…)
• Technische uitvoering (handenplaatsing, palpatie, richtingen,…)
• Redenering bij aanpassing van techniek
• Achtergrondinformatie (interpretatie van bewegingsuitslag/test,…)
• Anatomische kennis (gerelateerd aan de techniek), met inclusie van rol-glij mechanisme
• Rek en compressie van verschillende structuren
• Range of motion
• Eindgevoel + uitleg hierover
• Vergelijking met de andere zijde
4. Welke informatie willen we uit het functieonderzoek halen?
• Eindgevoel:
└ Kenmerkende limiet (rek en compressie):
o Beweging /p/ langzaam uitvoeren tot 1ste weerstand, dan de beweging zoekend
voortzetten
o Hard (bot op bot), zacht (weke delen) of elastisch (kapsel-band)
• Optreden van pijn
• Bewegingsuitslag (ROM)
• Optreden van crepitaties of geluiden
• Trajectweerstand: optreden van weerstand tijdens de beweging
• Altijd links-rechts vergelijken!
1
,5. Enkele basisafspraken
• Te onderzoeken lichaamsdeel is ontbloot
• Patiënt en therapeut in ontspannen en ergonomische positie
• Alle vrijheidsgraden evalueren
• Proximale botstuk fixeren, distale botstuk bewegen (in regel)
• Bilateraal evalueren
• Een gestandaardiseerde uitvoering van elke techniek is van groot belang. Wees dus steeds
consequent en kritisch op je uitvoering
• Alle veiligheidsafspraken dienen gerespecteerd te worden
6. Welke informatie willen we uit het specifiek functieonderzoek halen?
• Joint-play in gewricht
• Differentiëren tussen gewrichten
• Differentiëren tussen weefsels
• Invloed nagaan van translatie (en angulatie) op ROM en reactiviteit (brug naar therapie)
7. Definitie van een mobilisatie
“ Bewegingsactiviteiten door de patiënt uitgevoerd (actief ó passief) met als doel de
gewrichten te bewegen om hun normale of fysiologische bewegingsgraad te bewaren of
herwinnen”
8. Mobilisatievormen
8.1 Actief
Ø Zuiver
Ø Met aandringen
Ø Ritmisch
8.2 Passief
Ø Met mechanisch hulpmiddel
Ø Door therapeut:
- Angulair
- Tractie
= rechtlijnig
= loodrecht op de raaklijn door het raakpunt tussen de gewrichtspartners
= Pitellotractie, ‘Take of the slack’
2
, - Translatie
= richting van de raaklijn door het raakpunt van gewrichtspartners
= geen hoekverandering
= loodrecht op tractierichting
- Gecombineerde Tractie-translatie
8.3 Activo-passief
9. Rol-glijmechanisme (“Kaltenborn”)
o Elke beweging = combinatie van rollen en glijden
o Richting van de glijbeweging (translatie) is meestal afhankelijk van de vorm van het
bewegend botstuk: convex of concaaf?
o Concaaf: translatie = rol
o Convex: translatie >< rol
3
, 10. Algemene principes
o 1 gewrichtspartner fixeren, 1 gewrichtspartner bewegen
o Fixatie dicht bij het gewricht
o Plaats de handen zo dicht bij het gewricht (en dus zo dicht mogelijk bij elkaar)
o Uitzonderingen hierop zijn mogelijk, deze worden dan duidelijk toegelicht
o Nooit een extra gewricht overkruisen. Bij uitzonderingen zal dit duidelijk worden aangehaald
in de les
o Gelijknamige hand/homolaterale hand: vb. linkerhand bij onderzoeken van linkervoet
o Niet-gelijknamige hand/heterolaterale hand: vb. rechterhand bij onderzoeken van linkervoet
4