3.1 Het ademhalingsstelsel van de mens p 126
Neusslijmvlies – ‘bekleding’ van de neusholte
Trilhaarepitheel – buitenste laag van het neusslijmvlies, wat bestaat uit slijm-producerende
cellen en trilhaarcellen
Functies van neusslijmvlies (en trilhaarepitheel dus):
- Tegenhouden van grote ingeademde stofdeeltjes, door de neusharen
- Tegenhouden van kleine stofdeeltjes en ziekteverwekkers, door het slijm
Trilharen brengen dit slijm naar de keelholte, waar het doorgeslikt wordt.
- Vochtig maken en verwarmen van de binnenstromende lucht door het slijm en de
sterke bloeddoorstroming
- De lucht keuren van de binnenstromende lucht op vreemde geurtjes door het
reukzintuig
Bijholten – holten in de schedelbeenderen waarmee de neusholte in verbinding staat, die
ook bekleed zijn met slijmvlies. Het slijm hiervan wordt afgevoerd door de neusholte,
behalve bij verkoudheid, waardoor het ophoping kan veroorzaken.
Strottenhoofd – bevat de stembanden, en ligt tussen de keelholte en luchtpijp
Stembanden – stevige vliezen die gaan trillen wanneer er lucht passeert, waardoor er geluid
ontstaat
Luchtpijp: bevat hoefijzervormige kraakbeenringen zorgen dat de luchtpijp open blijft, en
dat de slokdarm vrij blijft
Volgorde van de lucht: (Binas 83A)
1. Neusholte
2. Keelholte, met huig en strotklepje
3. Strottenhoofd
4. Luchtpijp
5. Bronchiën – 2 vertakkingen van de luchtpijp bevatten ook kraakbeenringen
6. Bronchiolen – vertakkingen van de bronchiën bevatten geen kraakbeenringen, maar
spierweefsel wat onder invloed van adrenaline kan verwijden voor grotere
zuurstoftoevoer
7. Longblaasjes/ alveoli – blaasjes met een wand van één cellaag dik, en bedekt aan de
binnenkant met alveolair vocht, wat zorgt voor optimale uitwisseling van zuurstof en
kooldioxide door middel van diffusie
8. Longhaarvaten – zorgen ervoor dat koolstof afgegeven wordt aan de lucht in de
longblaasjes, en zuurstof opgenomen wordt. Deze haarvaten liggen om de alveoli
heen.
Zuurstoftransport
, Zuurstof wordt op twee manieren getransporteerd:
- Opgelost in het bloed (dit is maar een kleine hoeveelheid)
- Als oxyhemoglobine - gebonden aan de ijzeratomen van de vier heemgroepen van
het globine-eiwit van hemoglobine
Hemoglobine is verzadigd als alle hemoglobine is omgezet in oxyhemoglobine. De
binding van zuurstof aan hemoglobine gebeurt door middel van de volgende
evenwichtsreactie:
Hb+ O2 → Hb O2
Doordat zuurstof bijna meteen aan hemoglobine bindt bij diffusie met het alveolaire vocht
en het bloed, blijft er een verschil in zuurstofspanning ( pO2 ) bestaan zodat de diffusie
door blijft gaan.
Oxyhemoglobine wordt vaak weer omgezet in opgelost zuurstof in de haarvaten bij de
organen doordat hier veel zuurstof afgegeven wordt aan het weefselvloeistof voor de cellen,
waardoor de zuurstofspanning daalt.
Het zuurstof verplaatst zich dan van het hemoglobine, naar het bloedplasma, vervolgens
door de wand van het haarvat naar het weefselvloeistof waarna het kan verplaatsen naar de
lichaamscel, allemaal met behulp van verschil in zuurstofspanning en diffusie.
In een actief weefsel wordt meer zuurstof verbruikt waardoor de zuurstofspanning lager is
dan in een weefsel in rust, en er dus ook meer zuurstof aan afgegeven wordt door het bloed.
Ook bij een lagere pH wordt er meer oxyhemoglobine omgezet naar zuurstof. De pH is lager
als de pCO 2 , ofwel de koolstofdioxidespanning, hoger is.
Kooldioxidetransport
(Binas 83E)
Manieren van transport:
- Opgelost in het bloedplasma als CO2 (klein deel)
−¿
- Als waterstofcarbonaationen HCO ¿ (70%)
3
o Deze ionen ontstaan in de rode bloedcellen en worden opgelost in het
bloedplasma vervoerd
o De ionen ontstaan doordat het CO2 reageert met water, wat vervolgens
+¿
gelijk uiteenvalt, door de instabiliteit van het molecuul, in het ion en H ¿ -
ionen, die aan hemoglobine binden, wat er weer voor zorgt dat er O2
vrijkomt
- Gebonden aan hemoglobine (23%), in rode bloedcellen