Samenvatting van Vastgoed economie 2 (VEMAEC21). In de samenvatting zijn de hoofdstukken 1-19 van het boek Algemene economie en bedrijfsomgeving (druk 6) die belangrijk zijn voor het tentamen verwerkt.
Samenvatting algemene economie en bedrijfsomgeving
Tentamen (uitwerkingen) Algemene economie en bedrijfsomgeving (AEC) (1000AEC14) Algemene economie en bedrijfsomgeving
Tout pour ce livre (112)
École, étude et sujet
Hogeschool Rotterdam (HR)
Vastgoed En Makelaardij
Vastgoed economie 2
Tous les documents sur ce sujet (8)
Vendeur
S'abonner
xninaxx
Avis reçus
Aperçu du contenu
Algemene economie en bedrijfsomgeving
Hoofdstuk 1 De onderneming en algemene economie
Economie is de wetenschap die het streven naar welvaart bestudeert. De middelen voor de
welvaart zijn beperkt. Er moeten altijd keuzes worden gemaakt tussen de behoeften die men
wil bevredigen. Er is altijd schaarste.
De algemene economie bestudeert het economisch handelen voor een groter geheel, zoals
een land als Nederland of een regio als de EU.
De macro-economie is een onderdeel van de bedrijfsomgeving, de factoren die van invloed
zijn op de winstgevendheid van de onderneming. De macro-economische omgeving bestaat
voornamelijk uit de conjunctuur, wisselkoersen, loonkosten, grondstofkosten en rente. Deze
factoren hebben invloed op kosten en opbrengsten van de onderneming. Naast deze macro-
omgeving is ook een directe en een indirecte omgeving te onderkennen.
In het economisch denken is het verband tussen absolute en relatieve gegevens van groot
belang.
Variabelen zijn vaak het product van 2 andere variabelen (bijvoorbeeld: waarde is
hoeveelheid x prijs). De verandering in een dergelijke variabele is de som van de
verandering in de samenstellende delen (de verandering van de waarde is de verandering in
hoeveelheid + de verandering van de prijs). Een hoeveelheidsverandering staat bekend als
de reële verandering, een waardeverandering staat bekend als de nominale verandering.
De basisrelaties in de economie betreffen het volgende:
- De productie is het product van werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit
- De loonsom is het product van werkgelegenheid en loon per werknemer
- De loonkosten per eenheid product zijn gelijk aan het loon per werknemer gedeeld
door de arbeidsproductiviteit
Hoofdstuk 2 Markten
Een markt is het geheel van betrekkingen tussen vragers en aanbieders van een bepaald
product. Je onderscheidt de volgende soorten markten:
- Wereldmarkt: de prijs van een product is voor de hele wereld gelijk
- Nationale markt: de prijzen en hoeveelheden komen in een heel land tot stand
- Lokale markt: de betrekkingen tussen vragers en aanbieders spelen zich af in een
kleiner gebied
De relevante markt voor een onderneming is het deel van de markt dat zij bedient.
Ondernemingen zijn ingedeeld in een bedrijfstak met andere ondernemingen die op
gelijksoortige wijze produceren voor dezelfde behoeften. Er is een eenduidige classificatie
van ondernemingen in bedrijfstakken door middel van de NACE.
Statistische bureaus delen de ondernemingen in naar grootte volgens het aantal
werknemers. Er is sprake van micro-, kleine-, middelgrote en grote ondernemingen.
,De economische orde bestaat uit de waarden, normen en instituties die het economisch
gedrag bepalen. Economische orden verschillen van elkaar naar de mate waarin markten en
regulering een rol spelen. In een markteconomie zijn individuen vrij om naar eigen inzicht te
handelen; in een economie waar regulering de boventoon voert, moet het gedrag voldoen
aan regels. De meeste economieën zijn mengvormen. Naarmate bij producten zedelijke
waarden een grotere rol spelen (zoals in de gezondheidszorg en bij giftige chemicaliën) is
regulering belangrijker.
Hoofdstuk 3 De vraag
Consumenten bevredigen allerlei soorten behoeften door middel van allerlei soorten
goederen en diensten. Dat is het consumptiepatroon. Op het consumptiepatroon zijn trends
van invloed:
- Demografische trends, de leeftijdsopbouw van de bevolking en de
inkomensverdeling
- Veranderende levensstijlen; de onderliggende factor is de individualisering waardoor
mensen kunnen kiezen tussen elementen uit diverse levensstijlen
Verder zijn ook seizoen en klimaat en de overheidsinvloed belangrijke elementen in de
consumentenvoorkeuren.
De vraagcurve geeft de gevraagde hoeveelheid weer bij elke prijs. De vraagcurve verloopt
dalend vanwege het substitutie- en inkomenseffect. Bij een prijsverandering past de
hoeveelheid zich aan op de curve. De vraagcurve kan verschuiven door externe factoren,
zoals de toename van de bevolking en de verandering van het weer en van smaken.
Het bovenste gedeelte van de curve heeft een elastische vraag. Het gaat daarbij om hoge
prijzen en kleine hoeveelheden. Meestal gaat het om luxe-goederen. Het onderste gedeelte
van de vraagcurve kent een inelastische vraag. Daarbij gaat het om lage prijzen en grote
hoeveelheden. Meestal gaat het om noodzakelijke goederen.
Naast de prijselasticiteit van de vraag is er ook de omzetelasticiteit. Deze geeft de
verandering van de omzet weer bij een verandering van de prijs van 1%.
Bij een prijselasticiteit tussen 0 en -1 zal de omzet stijgen bij een prijstoename van 1%. De
hoeveelheid daalt minder dan de prijsstijging.
Bij een prijselasticiteit kleiner dan -1 zal de omzet dalen bij een prijsstijging. De hoeveelheid
neemt sterk af dan de prijsstijging.
De substitutie-elasticiteit geeft de invloed weer van prijzen van andere producten op de
vraag. De vraag kan bij prijsverandering van een ander goed:
- Toenemen: er is dan sprake van een substitutiegoed
- Gelijk blijven: het is dan een indifferent goed
- Afnemen: het is dan een complementair goed
De inkomenselasticiteit geeft de invloed van inkomensveranderingen op de vraag naar een
goed weer. Er is sprake van:
- Luxegoederen: de vraag stijgt meer dan 1% bij een toename van het inkomen met
1%
, - Noodzakelijke goederen: de vraag stijgt minder dan 1% bij een toename van het
inkomen met 1%
- Inferieure goederen: de vraag daalt als het inkomen toeneemt
Hoofdstuk 4 Het aanbod
Produceren gaat gepaard met kosten. Er zijn verschillende soorten kosten:
- Vaste kosten: komen voort uit de de aanschaf van kapitaalgoederen en een vaste
kern van arbeidskrachten
- Variabele kosten: vloeien voort uit de aanschaf van grondstoffen en arbeid
- Totale kosten: de kosten bij een bepaalde productieomvang
- Gemiddelde kosten: de kosten gedeeld door de productieomvang
- Marginale kosten: de kosten bij uitbreiding van de productie met een eenheid product
De marginale kosten zijn van belang voor het aanbod. De onderneming zal een hoeveelheid
producten aanbieden waarvoor geldt dat de marginale opbrengsten en de marginale kosten
aan elkaar gelijk zijn, als ze tenminste hoger zijn dan de gemiddelde variabele kosten (op de
korte termijn) of de gemiddelde totale kosten (op de lange termijn). Meer producten
aanbieden is ongewenst omdat de winst dan lager is: de marginale kosten van extra
producten overtreffen de marginale opbrengsten.
De kosten hebben invloed op de concurrentie:
- Als de vaste kosten hoger zijn en de variabele kosten laag, zal er sprake zijn van
grote prijsfluctuaties in de markt. Ondernemingen zullen ook bij zeer lage prijzen nog
produceren, zolang de prijzen maar boven de gemiddelde variabele kosten liggen.
- In dezelfde bedrijfstak kunnen verschillende bedrijven verschillende kostencurven
hebben.
In sommige bedrijfstakken zijn oneindige schaalvoordelen te bereiken. Kleine
ondernemingen hebben daar geen kans. In andere bedrijfstakken zijn verschillende
marktsegmenten met verschillende prijzen. Daar hebben kleine ondernemingen
mogelijkheden tot het produceren van kwalitatief hoogstaande producten. In weer andere
markten zijn er geen verschillen in kostencurven en ook geen schaalvoordelen, zodat kleine
bedrijven een even grote concurrentiekracht hebben als grote ondernemingen.
Vraag en aanbod komen tot evenwicht bij de evenwichtsprijs, waarbij de gevraagde en de
aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn.
Als het aanbod later reageert op wijzigingen in de vraag doordat het productieproces lang
duurt, kunnen prijzen doorschieten naar boven en naar beneden, zodat de markt korter of
langer onevenwichtig kan zijn.
De overheid heeft invloed op de markten door minimum- en maximumprijzen. Bij
minimumprijzen beschermt zij de producent en er ontstaan dan ook aanbodoverschotten. Bij
maximumprijzen beschermt zij de consument, waardoor er tekorten op de markt kunnen
ontstaan.
Ook kan de overheid omzetbelastingen en accijnzen opleggen. Deze worden afhankelijk van
de elasticiteiten verdeeld over consumenten en producenten.
Les avantages d'acheter des résumés chez Stuvia:
Qualité garantie par les avis des clients
Les clients de Stuvia ont évalués plus de 700 000 résumés. C'est comme ça que vous savez que vous achetez les meilleurs documents.
L’achat facile et rapide
Vous pouvez payer rapidement avec iDeal, carte de crédit ou Stuvia-crédit pour les résumés. Il n'y a pas d'adhésion nécessaire.
Focus sur l’essentiel
Vos camarades écrivent eux-mêmes les notes d’étude, c’est pourquoi les documents sont toujours fiables et à jour. Cela garantit que vous arrivez rapidement au coeur du matériel.
Foire aux questions
Qu'est-ce que j'obtiens en achetant ce document ?
Vous obtenez un PDF, disponible immédiatement après votre achat. Le document acheté est accessible à tout moment, n'importe où et indéfiniment via votre profil.
Garantie de remboursement : comment ça marche ?
Notre garantie de satisfaction garantit que vous trouverez toujours un document d'étude qui vous convient. Vous remplissez un formulaire et notre équipe du service client s'occupe du reste.
Auprès de qui est-ce que j'achète ce résumé ?
Stuvia est une place de marché. Alors, vous n'achetez donc pas ce document chez nous, mais auprès du vendeur xninaxx. Stuvia facilite les paiements au vendeur.
Est-ce que j'aurai un abonnement?
Non, vous n'achetez ce résumé que pour €3,99. Vous n'êtes lié à rien après votre achat.