Histologie en fysiologie
van de gewervelde
dieren
,Inhoudsopgave
ALGEMENE HISTOLOGIE
H1: Waarnemingsmethoden 1
H2: Epitheel 5
H3: Bindweefsel 12
H4: Vetweefsel 19
H5: Spierweefsel 21
H6: Kraakbeen 28
H7: Botweefsel 32
FUNCTIONELE HISTOLOGIE
H8: Circulatiesysteem 38
H9: Bloed en bloedcellen 43
H10: Excretie: nier en urinewegen 47
H11: Gastro-intestinaal stelsel 52
H12: Zenuwstelsel 58
H13: Ademhalingsstelsel 64
FYSIOLOGIE
H14: Basisprincipes van de dierlijke vorm en functie 66
H15: Inleiding tot endocriene systemen 70
H16: Circulatie 75
H17: Excretie en osmoregulatie 79
H18: Spijsvertering 83
H19: Zenuwstelsel 88
H20: Gasuitwisseling 93
,H1: Waarnemingsmethoden
1.1 Inleiding
Histologie = de leer van de weefsels, hun samenstelling uit verschillende celtypen en hun combinatie
tot organen met verschillende functies
Resolutie = kleinste afstand tussen 2 punten die je nog kan zien/onderscheiden
→ menselijk oog: 70 µm
→ microscopie ZB; herkennen celtypen in relatie tot fysiologische en biochemische
functie vormt basis van histologie
Wij kunnen tot ± 0,05mm waarnemen
- Eukaryotische cel: ± 10 – 100 µm
- Meeste bacteriën: ± 1 – 10 µm
- Virussen: ± 60 – 100 nm
Het lichtspectrum is ook belangrijk; het menselijk waarneembaar spectrum
ligt tussen 380 nm en 750 nm
UV: 10 – 380 nm Hogere energie
Violet: 380 – 450 nm
Blauw: 450 – 485 nm
Cyaan: 485 – 500 nm
Groen: 500 – 565 nm
Geel: 565 – 590 nm
Oranje: 590 – 625 nm
Rood: 625 – 700 nm
Infrarood: > 700nm Lagere energie
1.2 Weefselvoorbereiding
Enkel dunne coupes zijn doorgankelijk voor licht of elektronen → weefselvoorbereiding vereist
Fixatie
= crosslinken, denatureren en onwerkzaam maken van enzymen, structurele proteïnen en
fosfolipiden
- Stopt het metabolisme vd cellen en weefsels en legt structuur vast
- Voorkomen van artefacten
- Bij voorkeur op vers weefsel
- Kan dmv bevriezing, dry freezing, chemicaliën (LM: Bouin (formaldehyde), formol, EM:
glutaaraldehyde, vaak dubbelfixatie met osmiumtetroxide)
Dehydratatie
- Haalt resterende vocht uit cel
- Dmv meermaals wassen met graduele alcoholserie (30 – 100%)
Inbedding
= weefsel impregneren met vloeibaar inbedmiddel; verhardt door afkoeling of polymerisatie
- Zorgt ervoor dat het preparaat makkelijker gesneden kan worden
- Dmv paraffine (LM) of epoxyhars (EM)
1
, Snijden
- Dmv scherp stalen mes in microtoom (LM)
- Dmv glazen/diamanten mes in ultramicrotoom (EM, ultradunne coupes)
Kleuring
- Coupes hebben van nature weinig contrast → kleuring is essentieel
- Componenten in cel absorberen andere kleurstoffen → kleuring ngl vraagstelling/weefsel
We bespreken de 3 belangrijkste kleuringen voor deze cursus:
1. Hematoxyline-eosine kleuring (HE)
- hematoxyline
↳ basisch
↳ kleurt basofiele (zure) macromoleculen donkerblauw/paars (bv RNA, DNA)
- eosine (tegenkleuring)
↳ zuur
↳ kleurt acidofiele (basische) componenten roze (bv eiwitten, cytoplasma,
mitochondria, collageen)
2. Perjoodzuur-schiff-kleuring (PAS)
= bekende kleurmethode om koolhydraten en glucoseresiduen aan te kleuren (zoals slijm,
glycogeen, glycoproteïnen, glycolipiden)
↳ rode kleur
↳ kleurt volgende componenten NIET: GAG’s, proteoglycanen (eiwit + GAG)
→ dus NIET met KHD-componenten van grondsubstantie van bindweefsel
3. Giemsa kleuring
ontstaan om DNA te kleuren in bloed (malaria opsporing); wordt vnl gebruikt voor bloed,
uitstrijkjes en chromosomen
- methyleenblauw
↳ kleurt basofielen blauw
- eosine
↳ kleurt eosinofielen (acidofielen) rood
↳ kleurt neutrofielen zalmrose/lila
- azuren
↳ kleurt azurofielen purperblauw
Daarna is de coupe klaar om gemonteerd te worden. Deze coupe kunnen we visualiseren mbv
verschillende biotechnische hulpmiddelen.
2
van de gewervelde
dieren
,Inhoudsopgave
ALGEMENE HISTOLOGIE
H1: Waarnemingsmethoden 1
H2: Epitheel 5
H3: Bindweefsel 12
H4: Vetweefsel 19
H5: Spierweefsel 21
H6: Kraakbeen 28
H7: Botweefsel 32
FUNCTIONELE HISTOLOGIE
H8: Circulatiesysteem 38
H9: Bloed en bloedcellen 43
H10: Excretie: nier en urinewegen 47
H11: Gastro-intestinaal stelsel 52
H12: Zenuwstelsel 58
H13: Ademhalingsstelsel 64
FYSIOLOGIE
H14: Basisprincipes van de dierlijke vorm en functie 66
H15: Inleiding tot endocriene systemen 70
H16: Circulatie 75
H17: Excretie en osmoregulatie 79
H18: Spijsvertering 83
H19: Zenuwstelsel 88
H20: Gasuitwisseling 93
,H1: Waarnemingsmethoden
1.1 Inleiding
Histologie = de leer van de weefsels, hun samenstelling uit verschillende celtypen en hun combinatie
tot organen met verschillende functies
Resolutie = kleinste afstand tussen 2 punten die je nog kan zien/onderscheiden
→ menselijk oog: 70 µm
→ microscopie ZB; herkennen celtypen in relatie tot fysiologische en biochemische
functie vormt basis van histologie
Wij kunnen tot ± 0,05mm waarnemen
- Eukaryotische cel: ± 10 – 100 µm
- Meeste bacteriën: ± 1 – 10 µm
- Virussen: ± 60 – 100 nm
Het lichtspectrum is ook belangrijk; het menselijk waarneembaar spectrum
ligt tussen 380 nm en 750 nm
UV: 10 – 380 nm Hogere energie
Violet: 380 – 450 nm
Blauw: 450 – 485 nm
Cyaan: 485 – 500 nm
Groen: 500 – 565 nm
Geel: 565 – 590 nm
Oranje: 590 – 625 nm
Rood: 625 – 700 nm
Infrarood: > 700nm Lagere energie
1.2 Weefselvoorbereiding
Enkel dunne coupes zijn doorgankelijk voor licht of elektronen → weefselvoorbereiding vereist
Fixatie
= crosslinken, denatureren en onwerkzaam maken van enzymen, structurele proteïnen en
fosfolipiden
- Stopt het metabolisme vd cellen en weefsels en legt structuur vast
- Voorkomen van artefacten
- Bij voorkeur op vers weefsel
- Kan dmv bevriezing, dry freezing, chemicaliën (LM: Bouin (formaldehyde), formol, EM:
glutaaraldehyde, vaak dubbelfixatie met osmiumtetroxide)
Dehydratatie
- Haalt resterende vocht uit cel
- Dmv meermaals wassen met graduele alcoholserie (30 – 100%)
Inbedding
= weefsel impregneren met vloeibaar inbedmiddel; verhardt door afkoeling of polymerisatie
- Zorgt ervoor dat het preparaat makkelijker gesneden kan worden
- Dmv paraffine (LM) of epoxyhars (EM)
1
, Snijden
- Dmv scherp stalen mes in microtoom (LM)
- Dmv glazen/diamanten mes in ultramicrotoom (EM, ultradunne coupes)
Kleuring
- Coupes hebben van nature weinig contrast → kleuring is essentieel
- Componenten in cel absorberen andere kleurstoffen → kleuring ngl vraagstelling/weefsel
We bespreken de 3 belangrijkste kleuringen voor deze cursus:
1. Hematoxyline-eosine kleuring (HE)
- hematoxyline
↳ basisch
↳ kleurt basofiele (zure) macromoleculen donkerblauw/paars (bv RNA, DNA)
- eosine (tegenkleuring)
↳ zuur
↳ kleurt acidofiele (basische) componenten roze (bv eiwitten, cytoplasma,
mitochondria, collageen)
2. Perjoodzuur-schiff-kleuring (PAS)
= bekende kleurmethode om koolhydraten en glucoseresiduen aan te kleuren (zoals slijm,
glycogeen, glycoproteïnen, glycolipiden)
↳ rode kleur
↳ kleurt volgende componenten NIET: GAG’s, proteoglycanen (eiwit + GAG)
→ dus NIET met KHD-componenten van grondsubstantie van bindweefsel
3. Giemsa kleuring
ontstaan om DNA te kleuren in bloed (malaria opsporing); wordt vnl gebruikt voor bloed,
uitstrijkjes en chromosomen
- methyleenblauw
↳ kleurt basofielen blauw
- eosine
↳ kleurt eosinofielen (acidofielen) rood
↳ kleurt neutrofielen zalmrose/lila
- azuren
↳ kleurt azurofielen purperblauw
Daarna is de coupe klaar om gemonteerd te worden. Deze coupe kunnen we visualiseren mbv
verschillende biotechnische hulpmiddelen.
2