Lijst onregelmatige werkwoorden
Infinitief Imperfectum Perfectum
bakken bakte bakten gebakken (heb)
bederven bedierf bedierven bedorven (heb/ben)
bedriegen bedroog bedrogen bedrogen (heb)
beginnen begon begonnen begonnen (ben)
begrijpen begreep begrepen begrepen (heb)
bevallen beviel bevielen bevallen (ben)
bewegen bewoog bewogen bewogen (heb)
bezoeken bezocht bezochten bezocht (heb)
bidden bad baden gebeden (heb)
bieden bood boden geboden (heb)
bijten beet beten gebeten (heb)
binden bond bonden gebonden (heb)
blazen blies bliezen geblazen (heb)
blijken bleek bleken gebleken (is)
blijven bleef bleven gebleven (ben)
braden braadde braadden gebraden (heb)
breken brak braken gebroken (heb)
brengen bracht brachten gebracht (heb)
buigen boog bogen gebogen (heb)
denken dacht dachten gedacht (heb)
doen deed deden gedaan (heb)
dragen droeg droegen gedragen (heb)
drijven dreef dreven gedreven (ben/heb)
drinken dronk dronken gedronken (heb)
duiken dook doken gedoken (ben/heb)
dwingen dwong dwongen gedwongen (heb)
ervaren ervoer ervoeren ervaren (heb)
eten at aten gegeten (heb)
fluiten floot floten gefloten (heb)
gaan ging gingen gegaan (ben)
genezen genas genazen genezen (ben/heb)
genieten genoot genoten genoten (heb)
geven gaf gaven gegeven (heb)
gieten goot goten gegoten (heb)
glijden gleed gleden gegleden (ben/heb)
glimmen glom glommen geglommen (heb)
graven groef groeven gegraven (heb)
hangen hing hingen gehangen (heb)
hebben had hadden gehad (heb)
helpen hielp hielpen geholpen (heb)
304 Onregelmatige werkwoorden
Infinitief Imperfectum Perfectum
bakken bakte bakten gebakken (heb)
bederven bedierf bedierven bedorven (heb/ben)
bedriegen bedroog bedrogen bedrogen (heb)
beginnen begon begonnen begonnen (ben)
begrijpen begreep begrepen begrepen (heb)
bevallen beviel bevielen bevallen (ben)
bewegen bewoog bewogen bewogen (heb)
bezoeken bezocht bezochten bezocht (heb)
bidden bad baden gebeden (heb)
bieden bood boden geboden (heb)
bijten beet beten gebeten (heb)
binden bond bonden gebonden (heb)
blazen blies bliezen geblazen (heb)
blijken bleek bleken gebleken (is)
blijven bleef bleven gebleven (ben)
braden braadde braadden gebraden (heb)
breken brak braken gebroken (heb)
brengen bracht brachten gebracht (heb)
buigen boog bogen gebogen (heb)
denken dacht dachten gedacht (heb)
doen deed deden gedaan (heb)
dragen droeg droegen gedragen (heb)
drijven dreef dreven gedreven (ben/heb)
drinken dronk dronken gedronken (heb)
duiken dook doken gedoken (ben/heb)
dwingen dwong dwongen gedwongen (heb)
ervaren ervoer ervoeren ervaren (heb)
eten at aten gegeten (heb)
fluiten floot floten gefloten (heb)
gaan ging gingen gegaan (ben)
genezen genas genazen genezen (ben/heb)
genieten genoot genoten genoten (heb)
geven gaf gaven gegeven (heb)
gieten goot goten gegoten (heb)
glijden gleed gleden gegleden (ben/heb)
glimmen glom glommen geglommen (heb)
graven groef groeven gegraven (heb)
hangen hing hingen gehangen (heb)
hebben had hadden gehad (heb)
helpen hielp hielpen geholpen (heb)
304 Onregelmatige werkwoorden