Psychomotorische ontwikkeling
miv stages 1
HOC 1; Psychomotorische ontwikkeling
Psychomotorische ontwikkeling: studie van de motoriek waarin
gedragingen tot uiting komen (Vallaey 1990)
= langzaam gepaard opbouwen van denken en bewegen tot handelend
denken of doelbewust bewegen, wat gebeurt voor de interactie van de
verschillende motorische & psychische functies ( Samaey)
= Juist en aangepast bewegen, studie van levenslang proces
= Motorisch intentioneel bewegen of doelgericht inzetten van lichaam om
vooraf bepaald doel te bereiken, samenwerkingen in motorische & sociale
& emotionele aspecten en cognitie (Peerlings 2020)
Heeft 3 belangrijke fases:
- Neuromotoriek: op 4 maand kan een kind al zitten
- Sensomotoriek: gebeurt adhv zintuigen, duurt tot ongeveer 2 jaar
- Psychomotoriek: bewegen met een doel
Psychomotorische ontwikkeling start op 7 weken
Theoretische componenten over motorische
ontwikkeling
Maturatie of rijpingstheorie
1930 – 1940 : descriptief – normatief
Focus op individu: genetische factoren (DNA) en interne
factoren zoals rijping van het centraal zenuwstelsel
, Ontwikkeling is vooraf bepaald door onder andere interne klok
Arnold Gesell
Groei & ontwikkeling cephalo-caudaal en proximo-distaal
Ontwikkeling van bewegingen gaat van enkelvoud naar
samengesteld
Leren en maturatie zijn geen verschillende processen maar
een ander facet van het groeiproces
Theorie is verlaten door de volgende theorie (informatie –
theoretische benadering)
Informatie – theoretische benadering
1960-1970
De mens is een computer, dus een
informatieverwerkingssysteem (binnen CZS)
3 opeenvolgende stadia in informatieverwerking binnen CZS:
1. Stimulus identificatie
2. Respons selectie
3. Respons programmering
Theorie is verlaten door de volgende theorie (het
constraintsmodel van Newell)
De ecologische of contextuele theorie – het constraintsmodel van
Newell 1986
Voorgaande visies: focus op interne processen en sturing CZS
Newell: ook externe factoren belangrijk voor ontwikkeling:
Elk gedrag of evolutie van dat gedrag is het resultaat van
samenspel, wisselwerking of interactie tussen veranderende
individuele, omgevings- en taak gebonden kenmerken /
voorwaarden.
Motorisch gedrag, het leren en de ontwikkeling ervan is slechts
te begrijpen als de omgeving waarin de actie plaatsvindt, de
specifieke taakvereiste en de kenmerken van het individu in
rekening gebracht worden.
HOC 2; PMO: De Opbouw van de motoriek
III – De opbouw van bewegingsgedrag
Recap: pathologie; iemand heeft een ziektebeeld, hij/zij kan een aantal
dingen niet
Neuromotoriek (NM) -> 0 tot 4 maand
0 begint bij conceptie, embryo is 7 mm groot (kan nek al strekken),
als NM niet goed is zal de rest van de ontwikkeling ook niet goed
komen
, => NM is de hardware van de psychomotoriek: neurologie +
anatomie
- Motoriek: interne organisatie van bewegingen
- Neuromotoriek: interne neurologische organisatie van bewegingen
Sensomotoriek (SM) -> 4 maand tot 2 jaar
=> SM is de software: leren gebruik van de hardware
Al doende neem je waar wat je kunt
Al voelende ontdek je de bruikbaarheid van je NM -> je leert
besturen en verder ontwikkelen => SM leerproces
Psychomotoriek (PM) -> 9 maand tot 25 jaar
=> is het intentioneel bewegen, gericht naar een doel met de juiste
bewegingsmogelijkheden waarbij ook de sociale en emotionele
componenten een rol spelen.
Neuro-motorische ontwikkeling = de hardware
Centrale neurologie: centraal zenuwstelsel en ruggenmerg
Perifere neurologie: zenuwbanen en zenuwspieroverdracht
Anatomie: botten, ligamenten, spieren en steunweefsel
Filogenetische ontwikkeling van CZS:
CZS = centraal zenuwstelsel
Ons brein bestaat uit drie lagen.
Prefrontale cortex: deel van neocortex, ontwikkelt zich als laatste =>
postpuberaal, plannen = executieve functies
De neocortex is opgedeeld in twee helften:
Linkerhelft: zorgt voor beweeglijkheid van rechterkant, methodisch &
rationeel
Rechterhelft: zorgt voor beweeglijkheid van linkerkant, creatief, deeltje van
ons zijn
Het is belangrijk om de mens in het geheel te zien (bv. Iemand met een
schouderprobleem, we gaan verder kijken dan de schouder alleen en ook
kijken naar bv. De rug)
=> waar patiënt gelukkig van wordt is belangrijk en ga je best niet
wegnemen (je gaat best niet zeggen tegen iemand dat graag naait, dat ze
niet meer mag naaien)
Senso- en perceptuo (cognitief) motorische ontwikkeling: = de
software
, => leren gebruiken van andere hersengebieden in relatie tot de motoriek
Hoe?
1. Zintuigen nemen informatie op uit bronnen in het lichaam of er buiten
2. Je neemt iets waar
3. Lichaam reageert er op
Sensoren sturen motoriek
Componenten:
- Het waarnemen (sensoriek)
- Weten wat je waarneemt (perceptie of betekenis verlening)
- Betekenis (geheugen, ervaringen) kennen (kennis of cognitief
aspect)
- Om ervan te leren => ultieme doel = integratie
Soorten sensomotoriek:
Nabije waarnemingsmotoriek (SM)
- Voelen en bewegen (tactiel, houdingsgevoel, evenwicht)
- Ruiken en bewegen
- Proeven en bewegen
Verre waarnemingsmotoriek (Perceptuomotoriek)
- Zien en bewegen
- Horen en bewegen
Perceptie: 5 zintuigen
1. Visuele waarneming of perceptie:
- Visueel: scherpte, diepte, kleur, licht / donker
- Zien, informatie verwerken
2. Auditieve waarneming of perceptie:
- Auditief: hoogte, volume, ritme, plaats
- Oren, opvangen geluiden
3. Tactiel systeem:
- Aanraken, voelen, temperatuur, textuur, druk
- Contact belangrijk, ook bij patiënten
4. Olfatorisch systeem:
- Ruiken, sterk beschermende functie (stank => weglopen)
- Rechtstreekse verbinding met CZS
5. Gustatorisch systeem:
- Smaak: zuur, zoet, zout, bitter
6. Proprioceptief systeem:
- Houdingsgevoel: weten exact hoe ons lichaam staat zonder na te
denken + corrigeren het automatisch
Sensorische integratie: onbewust en efficiënt samenwerken van alle
bronnen van zintuigelijke informatie
Sensoren zijn onbewust, en zorgen dat je na een tijdje cognitief bent, en
dat je leert (al ervarende en in fasen)
miv stages 1
HOC 1; Psychomotorische ontwikkeling
Psychomotorische ontwikkeling: studie van de motoriek waarin
gedragingen tot uiting komen (Vallaey 1990)
= langzaam gepaard opbouwen van denken en bewegen tot handelend
denken of doelbewust bewegen, wat gebeurt voor de interactie van de
verschillende motorische & psychische functies ( Samaey)
= Juist en aangepast bewegen, studie van levenslang proces
= Motorisch intentioneel bewegen of doelgericht inzetten van lichaam om
vooraf bepaald doel te bereiken, samenwerkingen in motorische & sociale
& emotionele aspecten en cognitie (Peerlings 2020)
Heeft 3 belangrijke fases:
- Neuromotoriek: op 4 maand kan een kind al zitten
- Sensomotoriek: gebeurt adhv zintuigen, duurt tot ongeveer 2 jaar
- Psychomotoriek: bewegen met een doel
Psychomotorische ontwikkeling start op 7 weken
Theoretische componenten over motorische
ontwikkeling
Maturatie of rijpingstheorie
1930 – 1940 : descriptief – normatief
Focus op individu: genetische factoren (DNA) en interne
factoren zoals rijping van het centraal zenuwstelsel
, Ontwikkeling is vooraf bepaald door onder andere interne klok
Arnold Gesell
Groei & ontwikkeling cephalo-caudaal en proximo-distaal
Ontwikkeling van bewegingen gaat van enkelvoud naar
samengesteld
Leren en maturatie zijn geen verschillende processen maar
een ander facet van het groeiproces
Theorie is verlaten door de volgende theorie (informatie –
theoretische benadering)
Informatie – theoretische benadering
1960-1970
De mens is een computer, dus een
informatieverwerkingssysteem (binnen CZS)
3 opeenvolgende stadia in informatieverwerking binnen CZS:
1. Stimulus identificatie
2. Respons selectie
3. Respons programmering
Theorie is verlaten door de volgende theorie (het
constraintsmodel van Newell)
De ecologische of contextuele theorie – het constraintsmodel van
Newell 1986
Voorgaande visies: focus op interne processen en sturing CZS
Newell: ook externe factoren belangrijk voor ontwikkeling:
Elk gedrag of evolutie van dat gedrag is het resultaat van
samenspel, wisselwerking of interactie tussen veranderende
individuele, omgevings- en taak gebonden kenmerken /
voorwaarden.
Motorisch gedrag, het leren en de ontwikkeling ervan is slechts
te begrijpen als de omgeving waarin de actie plaatsvindt, de
specifieke taakvereiste en de kenmerken van het individu in
rekening gebracht worden.
HOC 2; PMO: De Opbouw van de motoriek
III – De opbouw van bewegingsgedrag
Recap: pathologie; iemand heeft een ziektebeeld, hij/zij kan een aantal
dingen niet
Neuromotoriek (NM) -> 0 tot 4 maand
0 begint bij conceptie, embryo is 7 mm groot (kan nek al strekken),
als NM niet goed is zal de rest van de ontwikkeling ook niet goed
komen
, => NM is de hardware van de psychomotoriek: neurologie +
anatomie
- Motoriek: interne organisatie van bewegingen
- Neuromotoriek: interne neurologische organisatie van bewegingen
Sensomotoriek (SM) -> 4 maand tot 2 jaar
=> SM is de software: leren gebruik van de hardware
Al doende neem je waar wat je kunt
Al voelende ontdek je de bruikbaarheid van je NM -> je leert
besturen en verder ontwikkelen => SM leerproces
Psychomotoriek (PM) -> 9 maand tot 25 jaar
=> is het intentioneel bewegen, gericht naar een doel met de juiste
bewegingsmogelijkheden waarbij ook de sociale en emotionele
componenten een rol spelen.
Neuro-motorische ontwikkeling = de hardware
Centrale neurologie: centraal zenuwstelsel en ruggenmerg
Perifere neurologie: zenuwbanen en zenuwspieroverdracht
Anatomie: botten, ligamenten, spieren en steunweefsel
Filogenetische ontwikkeling van CZS:
CZS = centraal zenuwstelsel
Ons brein bestaat uit drie lagen.
Prefrontale cortex: deel van neocortex, ontwikkelt zich als laatste =>
postpuberaal, plannen = executieve functies
De neocortex is opgedeeld in twee helften:
Linkerhelft: zorgt voor beweeglijkheid van rechterkant, methodisch &
rationeel
Rechterhelft: zorgt voor beweeglijkheid van linkerkant, creatief, deeltje van
ons zijn
Het is belangrijk om de mens in het geheel te zien (bv. Iemand met een
schouderprobleem, we gaan verder kijken dan de schouder alleen en ook
kijken naar bv. De rug)
=> waar patiënt gelukkig van wordt is belangrijk en ga je best niet
wegnemen (je gaat best niet zeggen tegen iemand dat graag naait, dat ze
niet meer mag naaien)
Senso- en perceptuo (cognitief) motorische ontwikkeling: = de
software
, => leren gebruiken van andere hersengebieden in relatie tot de motoriek
Hoe?
1. Zintuigen nemen informatie op uit bronnen in het lichaam of er buiten
2. Je neemt iets waar
3. Lichaam reageert er op
Sensoren sturen motoriek
Componenten:
- Het waarnemen (sensoriek)
- Weten wat je waarneemt (perceptie of betekenis verlening)
- Betekenis (geheugen, ervaringen) kennen (kennis of cognitief
aspect)
- Om ervan te leren => ultieme doel = integratie
Soorten sensomotoriek:
Nabije waarnemingsmotoriek (SM)
- Voelen en bewegen (tactiel, houdingsgevoel, evenwicht)
- Ruiken en bewegen
- Proeven en bewegen
Verre waarnemingsmotoriek (Perceptuomotoriek)
- Zien en bewegen
- Horen en bewegen
Perceptie: 5 zintuigen
1. Visuele waarneming of perceptie:
- Visueel: scherpte, diepte, kleur, licht / donker
- Zien, informatie verwerken
2. Auditieve waarneming of perceptie:
- Auditief: hoogte, volume, ritme, plaats
- Oren, opvangen geluiden
3. Tactiel systeem:
- Aanraken, voelen, temperatuur, textuur, druk
- Contact belangrijk, ook bij patiënten
4. Olfatorisch systeem:
- Ruiken, sterk beschermende functie (stank => weglopen)
- Rechtstreekse verbinding met CZS
5. Gustatorisch systeem:
- Smaak: zuur, zoet, zout, bitter
6. Proprioceptief systeem:
- Houdingsgevoel: weten exact hoe ons lichaam staat zonder na te
denken + corrigeren het automatisch
Sensorische integratie: onbewust en efficiënt samenwerken van alle
bronnen van zintuigelijke informatie
Sensoren zijn onbewust, en zorgen dat je na een tijdje cognitief bent, en
dat je leert (al ervarende en in fasen)