Nederlands Formuleren
1.1 onjuiste herhaling
1.2 tautologie
1.3 pleonasme
1.4 contaminatie
1.5 dubbele ontkenning
2. fouten met verwijswoorden
2.1 onjuist verwijswoord
2.2 onduidelijk verwijzen
3. incongurentie
4. dat/als-constructie
5 foutieve samentrekking
6 foutieve beknopte bijzin
7 zinnen onjuist begrenzen
7.1 losstaand zinsgedeelte
7.2 zinnen ten onrechte samenvoegen
8 onjuiste inversie
9 geen symmetrie
, Paragraaf 1 Dubbelop
Onjuiste herhaling
Bij een foute herhaling van een voorzetsel:
Voor een toename van het aantal orgaandonoren zijn de afgelopen jaren al heel wat
campagnes voor gehouden.
Tautologie
Als iets 2 keer wordt gezged met een synoniem.
De president kreeg van de pers vel kritiek op zijn uitspreken , maar steeds kon hij echter
rekenen op waardering van de bevolking.
Pleonasme
Een deel van de betekenis wordt nog een keer uitgedrukt door een ander woord.
De meeste slachtoffers van consumptievuurwerk zijn minderjarige kinderen.
Contaminatie
Als 2 woorden of uitdrukkingen door elkaar worden gehaald.
U scheert iedereen over èèn rug.
Dubbele ontkenning
Als in en zin een dubbele ontkenning staat. Sommige woorden hebben al een ontkennende
vorm. Dit zijn: voorkomen, misbruiken, verbieden, weerhouden en nalaten. Hier is 1
ontkenning genoeg.
Hoe kunnen we voorkomen dat er geen illegaal vuurwerk wordt afgestoken.
Paragraaf 2 Fouten met verwijswoorden
Onjuist verwijswoord 2.1
Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig.
Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Wanneer Vrouwelijk?
De- woorden het- Soms de- Vrouwelijk Bij abstracte
woorden woorden persoon begrippen
Hij Het Zij of ze Eindigen op: -heid, -nis
Hem, zijn Zijn Haar -schap, -de,- -te, -ij, -ing, -
se, -is age, ica,-theek, -a
Die, deze Dit, Dat Die, deze -st, -ie, -iek, - -teit, uur,ine,
Zij, hen en hun
‘Zij’ bij het onderwerp van een zin. ‘Ze’ als je een dier ding bedoelt.
Zij gaan even boodschappen doen. Ik zoek mijn sleutels, heb jij ze gezien?
Hen wordt gebruikt na een voorzetsel en lijdend voorwerp.
Dit jaar stem ik op hen. Geef je hen een cadeau?
Hun is een bezittelijk voornaamwoord en gebruik je als je er “aan” achter kunt plakken. Dit is
hun huis. Ik geef (aan) hun de bal.
1.1 onjuiste herhaling
1.2 tautologie
1.3 pleonasme
1.4 contaminatie
1.5 dubbele ontkenning
2. fouten met verwijswoorden
2.1 onjuist verwijswoord
2.2 onduidelijk verwijzen
3. incongurentie
4. dat/als-constructie
5 foutieve samentrekking
6 foutieve beknopte bijzin
7 zinnen onjuist begrenzen
7.1 losstaand zinsgedeelte
7.2 zinnen ten onrechte samenvoegen
8 onjuiste inversie
9 geen symmetrie
, Paragraaf 1 Dubbelop
Onjuiste herhaling
Bij een foute herhaling van een voorzetsel:
Voor een toename van het aantal orgaandonoren zijn de afgelopen jaren al heel wat
campagnes voor gehouden.
Tautologie
Als iets 2 keer wordt gezged met een synoniem.
De president kreeg van de pers vel kritiek op zijn uitspreken , maar steeds kon hij echter
rekenen op waardering van de bevolking.
Pleonasme
Een deel van de betekenis wordt nog een keer uitgedrukt door een ander woord.
De meeste slachtoffers van consumptievuurwerk zijn minderjarige kinderen.
Contaminatie
Als 2 woorden of uitdrukkingen door elkaar worden gehaald.
U scheert iedereen over èèn rug.
Dubbele ontkenning
Als in en zin een dubbele ontkenning staat. Sommige woorden hebben al een ontkennende
vorm. Dit zijn: voorkomen, misbruiken, verbieden, weerhouden en nalaten. Hier is 1
ontkenning genoeg.
Hoe kunnen we voorkomen dat er geen illegaal vuurwerk wordt afgestoken.
Paragraaf 2 Fouten met verwijswoorden
Onjuist verwijswoord 2.1
Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig.
Mannelijk Onzijdig Vrouwelijk Wanneer Vrouwelijk?
De- woorden het- Soms de- Vrouwelijk Bij abstracte
woorden woorden persoon begrippen
Hij Het Zij of ze Eindigen op: -heid, -nis
Hem, zijn Zijn Haar -schap, -de,- -te, -ij, -ing, -
se, -is age, ica,-theek, -a
Die, deze Dit, Dat Die, deze -st, -ie, -iek, - -teit, uur,ine,
Zij, hen en hun
‘Zij’ bij het onderwerp van een zin. ‘Ze’ als je een dier ding bedoelt.
Zij gaan even boodschappen doen. Ik zoek mijn sleutels, heb jij ze gezien?
Hen wordt gebruikt na een voorzetsel en lijdend voorwerp.
Dit jaar stem ik op hen. Geef je hen een cadeau?
Hun is een bezittelijk voornaamwoord en gebruik je als je er “aan” achter kunt plakken. Dit is
hun huis. Ik geef (aan) hun de bal.