Economie economische modellen
Let op:
Conjunctuur: schommelingen van de economie (vraag kant)
-voorwaardes
Conjuncturele werkloosheid= afname bestedingen
-miljoenen miljarden
Hoog conjunctuur= periode van overbesteding (veel arbeid)
-marginaal is Δ/Δ
Laag conjunctuur= periode van onderbesteding (weinig werk)
Trend= gewenste economische groei
Laag conjunctuur hoog conjunctuur
Onderbesteding ev < produc c. overbesteding ev > produc c.
Lage bezettingsgraad hoge bezettingsgraad
Lage productie hoge productie
Minder werkgelegenheid veel werkgelegenheid
Meer werkloosheid minder werkloosheid
Werkloosheid inflatie
De crisis in 2007 ontstond door te grote hypotheekschulden, aflossingsverplichtingen, banken failliet,
huizemarkt stortte in, werkgelegenheid laag en inkomen laag
C = consumptie (gezinnen)
I = investeringen (bedrijven)
O = overheidsbestedingen (consumptie en investeringen)
E = export (buitenland) - saldeert E-M
M = import (buitenland) -
Y = nationaal inkomen
Vraagzijde conjunctuur
schommelingen ev (dus inkomen)
Y=c+i+o+e-m
Aanbodzijde structuurkant
productiefactoren (niet ev) kano beloning
Knelpuntfactor: arbeid namelijk kwaliteit en kwantiteit
-afhankelijk van y^x (max productie capiciteit)
Consumentenvertrouwen: grote rol in crisis, leidt tot afnemende bestedingen
Gevolg: inkrimping productie voorraden en daling werkgelegenheid
Lage consumptieminder productie minder werk
Bezettingsgraad productie;productiecapiciteit x 100% = benut capiciteit
Hoofdstuk 2
Werkloosheid: gemis aan geld, sociale problemen, daalt koopkracht, gedwongen uit huis,
Samenleving draait hier voor op (kosten)
2 verschillende viesies:
- Klassieken: loon naar beneden bij werkloosheid (negatief verband loon en werkgelegenheid)
-lonen zijn kosten
-lagere lonen zijn lagere prijzen
-lagere prijzen is meer verkoop
-meer verkoop is meer productie
Let op:
Conjunctuur: schommelingen van de economie (vraag kant)
-voorwaardes
Conjuncturele werkloosheid= afname bestedingen
-miljoenen miljarden
Hoog conjunctuur= periode van overbesteding (veel arbeid)
-marginaal is Δ/Δ
Laag conjunctuur= periode van onderbesteding (weinig werk)
Trend= gewenste economische groei
Laag conjunctuur hoog conjunctuur
Onderbesteding ev < produc c. overbesteding ev > produc c.
Lage bezettingsgraad hoge bezettingsgraad
Lage productie hoge productie
Minder werkgelegenheid veel werkgelegenheid
Meer werkloosheid minder werkloosheid
Werkloosheid inflatie
De crisis in 2007 ontstond door te grote hypotheekschulden, aflossingsverplichtingen, banken failliet,
huizemarkt stortte in, werkgelegenheid laag en inkomen laag
C = consumptie (gezinnen)
I = investeringen (bedrijven)
O = overheidsbestedingen (consumptie en investeringen)
E = export (buitenland) - saldeert E-M
M = import (buitenland) -
Y = nationaal inkomen
Vraagzijde conjunctuur
schommelingen ev (dus inkomen)
Y=c+i+o+e-m
Aanbodzijde structuurkant
productiefactoren (niet ev) kano beloning
Knelpuntfactor: arbeid namelijk kwaliteit en kwantiteit
-afhankelijk van y^x (max productie capiciteit)
Consumentenvertrouwen: grote rol in crisis, leidt tot afnemende bestedingen
Gevolg: inkrimping productie voorraden en daling werkgelegenheid
Lage consumptieminder productie minder werk
Bezettingsgraad productie;productiecapiciteit x 100% = benut capiciteit
Hoofdstuk 2
Werkloosheid: gemis aan geld, sociale problemen, daalt koopkracht, gedwongen uit huis,
Samenleving draait hier voor op (kosten)
2 verschillende viesies:
- Klassieken: loon naar beneden bij werkloosheid (negatief verband loon en werkgelegenheid)
-lonen zijn kosten
-lagere lonen zijn lagere prijzen
-lagere prijzen is meer verkoop
-meer verkoop is meer productie