Inleiding Biochemie
WC1: INLEIDING BIOTECHNOLOGIE ................................................................................................. 2
WC2: BOUW VAN EEN CEL ............................................................................................................... 3
WC3: PASSIEF TRANSPORT .............................................................................................................. 5
WC4: ACTIEF TRANSPORT ................................................................................................................ 8
WC5: ENERGIEHUISHOUDING IN DE CEL ........................................................................................ 11
WC6: ENZYMEN ............................................................................................................................. 14
WC7: CEL METABOLISME ............................................................................................................... 16
WC8: VAN GEN TOT EIWIT ............................................................................................................. 18
,WC1: Inleiding biotechnologie
Bioprocestechnologie, of kortweg biotechnologie is het gebruik van biologische systemen
door de mens om producten te maken die (commercieel) interessant zijn. Producten waar je
aan kan denken zijn medicijnen, levensmiddelen, voedingssupplementen en
gewasbeschermingsmiddelen.
Voor- en nadelen biotechnologische processen.
Voordelen:
• (Stereo)specifiek
• Milde procescondities
• Soms minder synthese stappen
Nadelen:
• Producten in verdunde vorm
• Soms genetische modificatie nodig
• Langere reactietijd
• Duur
Traditionele en moderne biotechnologische processen
Traditionele biotechnologie à Empiristische toepassingen: het werkte en daarom werd het
gebruikt.
Door ontdekking van de microscoop en het fenomeen dat gist suikers omzet in alcohol
ontstond meer begrip voor traditionele processen.
Voorbeelden: productie van alcoholische dranken, brood, yoghurt, kaas, zuurkool
Moderne biotechnologie à Processen die hun oorsprong vinden in recombinant-DNA-
technieken, het veranderen van genetisch materiaal van een organisme om deze zo aan te
zetten tot de productie van een gewest product.
, WC2: Bouw van een cel
Pro- en eukaryote cellen
De prokaryote cel, zoals bij de bacterie heeft een primitieve bouw: een kern is niet aanwezig.
Het erfelijk materiaal (DNA) ligt los in de celvloeistof (protoplasma).
De eukaryote cel, bij plant, dier en schimmel bezit een kern en andere organellen.
Virussen (waartoe ook de bacteriofagen behoren) vormen een aparte groep, hun inwendige
structuur wijkt sterk af van de prokaryote en eukaryote cel. Ze hebben geen eigen
stofwisseling en zijn voor de voortplanting afhankelijk van een ander (levend) wezen.
Eukaryote Celorganellen
Eukaryoten hebben een celkern en organellen à door membranen omgeven,
gespecialiseerde compartimenten.
Celkern
Ligt al het genetische materiaal, bevat een dubbele kernmembraan
Transscriptie: het proces van het kopieren van DNA naar mRNA, wat plaats vindt in de
celkern
Translatie: het proces waarbij mRNA een eiwit wordt.
Cytoplasma: vloeistof van de cel met alle organellen erin.
DNA à mRNA mRNA à Eiwit
In celkern Cytoplasma
Transscriptie Translatie
Ruw endoplasmatisch reticulum (RER)
Hier vindt de synthese en secretie en membraaneiwitten plaats. Eiwitten die door de
ribosomen op het ruw ER gemaakt zijn, worden in de kolten van het ER afgezet. Vanuit de
kolten worden de eiwitten via de vesicles, die afsnoeren van het ER, getransporteerd naar
het golgieapparaat.
Glad endoplasmatisch reticulum (GER)
Hier vindt de synthese van lipiden en ontgifting plaats. Zitten geen ribosomen aan
Ribosomen bestaan uit twee delen:
• Een klein deel, die het mRNA afleest.
• Een groot deel, waarin de aninoketens worden gevormd
Golgi-apparaat
Bestaat uit een pakket ‘kleine zakjes’ de cisterna. De nieuwe laag ontstaat aan de cis-zijde
door aangroei van vesicles vanuit het RER. Aan de trans-zijde verdwijnt een laag door het
versturen van vesicles met gesorteerde producten naar de juiste bestemming. In de zakjes
vindt eiwitmodificatie plaats.
Lysosomen
Bevatten enzymen, zorgen voor afbraak van het binnenkomend materiaal.
WC1: INLEIDING BIOTECHNOLOGIE ................................................................................................. 2
WC2: BOUW VAN EEN CEL ............................................................................................................... 3
WC3: PASSIEF TRANSPORT .............................................................................................................. 5
WC4: ACTIEF TRANSPORT ................................................................................................................ 8
WC5: ENERGIEHUISHOUDING IN DE CEL ........................................................................................ 11
WC6: ENZYMEN ............................................................................................................................. 14
WC7: CEL METABOLISME ............................................................................................................... 16
WC8: VAN GEN TOT EIWIT ............................................................................................................. 18
,WC1: Inleiding biotechnologie
Bioprocestechnologie, of kortweg biotechnologie is het gebruik van biologische systemen
door de mens om producten te maken die (commercieel) interessant zijn. Producten waar je
aan kan denken zijn medicijnen, levensmiddelen, voedingssupplementen en
gewasbeschermingsmiddelen.
Voor- en nadelen biotechnologische processen.
Voordelen:
• (Stereo)specifiek
• Milde procescondities
• Soms minder synthese stappen
Nadelen:
• Producten in verdunde vorm
• Soms genetische modificatie nodig
• Langere reactietijd
• Duur
Traditionele en moderne biotechnologische processen
Traditionele biotechnologie à Empiristische toepassingen: het werkte en daarom werd het
gebruikt.
Door ontdekking van de microscoop en het fenomeen dat gist suikers omzet in alcohol
ontstond meer begrip voor traditionele processen.
Voorbeelden: productie van alcoholische dranken, brood, yoghurt, kaas, zuurkool
Moderne biotechnologie à Processen die hun oorsprong vinden in recombinant-DNA-
technieken, het veranderen van genetisch materiaal van een organisme om deze zo aan te
zetten tot de productie van een gewest product.
, WC2: Bouw van een cel
Pro- en eukaryote cellen
De prokaryote cel, zoals bij de bacterie heeft een primitieve bouw: een kern is niet aanwezig.
Het erfelijk materiaal (DNA) ligt los in de celvloeistof (protoplasma).
De eukaryote cel, bij plant, dier en schimmel bezit een kern en andere organellen.
Virussen (waartoe ook de bacteriofagen behoren) vormen een aparte groep, hun inwendige
structuur wijkt sterk af van de prokaryote en eukaryote cel. Ze hebben geen eigen
stofwisseling en zijn voor de voortplanting afhankelijk van een ander (levend) wezen.
Eukaryote Celorganellen
Eukaryoten hebben een celkern en organellen à door membranen omgeven,
gespecialiseerde compartimenten.
Celkern
Ligt al het genetische materiaal, bevat een dubbele kernmembraan
Transscriptie: het proces van het kopieren van DNA naar mRNA, wat plaats vindt in de
celkern
Translatie: het proces waarbij mRNA een eiwit wordt.
Cytoplasma: vloeistof van de cel met alle organellen erin.
DNA à mRNA mRNA à Eiwit
In celkern Cytoplasma
Transscriptie Translatie
Ruw endoplasmatisch reticulum (RER)
Hier vindt de synthese en secretie en membraaneiwitten plaats. Eiwitten die door de
ribosomen op het ruw ER gemaakt zijn, worden in de kolten van het ER afgezet. Vanuit de
kolten worden de eiwitten via de vesicles, die afsnoeren van het ER, getransporteerd naar
het golgieapparaat.
Glad endoplasmatisch reticulum (GER)
Hier vindt de synthese van lipiden en ontgifting plaats. Zitten geen ribosomen aan
Ribosomen bestaan uit twee delen:
• Een klein deel, die het mRNA afleest.
• Een groot deel, waarin de aninoketens worden gevormd
Golgi-apparaat
Bestaat uit een pakket ‘kleine zakjes’ de cisterna. De nieuwe laag ontstaat aan de cis-zijde
door aangroei van vesicles vanuit het RER. Aan de trans-zijde verdwijnt een laag door het
versturen van vesicles met gesorteerde producten naar de juiste bestemming. In de zakjes
vindt eiwitmodificatie plaats.
Lysosomen
Bevatten enzymen, zorgen voor afbraak van het binnenkomend materiaal.