HOOFDSTUK 1: INLEIDING IN DE
FYSIOLOGIE
F
HOMEOSTASE
WAAROM?
Niet alle organisme zijn homeostatisch; pantoffeldiertjes wel
Wat is homeostase: lichaamstemperatuur, waterhuishouding, drinken vs urineren willen we zo
evenwichtig mogelijk laten verlopen
Evolutionaire benadering: dieren vanuit zout -> zoet water tijdens de homeostatische evolutie
Een cellichaam bestaat uit verschillende delen.
Aan de buitenkant zitten de oppervlaktecellen van de huid (=epitheelcellen) en deze zijn voor een groot
deel ingebed in een vloeistof. Die vloeistof is het inwendig milieu van ons lichaam.
2 vloeistoffen
Intracellulaire vloeistof: dit is de kern en deze zit hier ingebed
met een hoop andere cellen
Extracellulaire vloeistof: dit is de buffer tov de buitenwereld
o = interstitiële vloeistof
o = inwendig milieu van een lichaam
o Homeostase is dus ook zeer belangrijk op celniveau
Voorbeeld: veel drinken
Als we veel gaan drinken dan gaat de extracellulaire vloeistof verdund worden -> de cel heeft een verstoorde
homeostase en wilt terug naar zijn evenwichtsvorm. Het gevolg is dat we moeten plassen -> hiervoor hebben
we een homeostatisch regelmechanisme dat ervoor gaat zorgen dat de nier dit gaat uitscheiden
STORING IN HOMEOSTASE
OORZAKEN
Inwendig: kanker, auto-immuunziekte
Uitwendig: trauma, toxische stoffen, bacteriën, het weer
,OPLOSSING
De cel wil dit gaan compenseren: lukt/ lukt niet
Lukt: persoon blijft gezond
Lukt niet: persoon is ziek
HOMEOSTASE: LOKALE CONTROLE VS REFLEX CONTROLE
Lokale controle: het inputsignaal leidt tot een rechtstreekse respons
o Rode neus, vingers
Reflex controle: hebben een integrating centre nodig
o Temperatuurregeling, ademhaling
Voorbeeld: O2 daling in de omgeving
Rechterarm: bloedvaten gaan zich aan de opp gaan uitzetten -> zorgt
ervoor dat er meer bloed gaat stromen: meestal gebeurt het niet op deze
manier
o Wel: de local change geeft een local response
Buiten in de kou staan -> krijgen een rode neus omdat de bloedvaten gaat open
zetten om extremiteiten meer warmte te geven. Dit is een lokale reactie op de
koude om zo te temperatuur te bewaren
o Meestal gebeurt homeostase via een integrating centra = hersenen
Bloeddrukregulatie: carotiden doen bloeddrukmetingen -> hersenen gaan die
evalueren en zorgen voor een reactie -> bloedvaten gaan open
Stimulus -> integrating center -> respons
FEEDBACKMECHANISME
STIMULUS -> SENSOR -> INPUT SIGNAL -> INTEGRATING CENTER -> OUTPUT SIGNAL ->
TARGET -> RESPONS
1. Stimulus: de temperatuur van het water is onder het setpoint
2. Sensor: thermometer
3. Input signal: signalen passeren van de sensor om de box te controleren
4. Integrating center: de controle box -> de controle box is geprogrammeerd om te reageren wanneer
de temperatuur hoger is dan 29°
5. Output signal: signaal gestuurd
6. Target: de verwarming springt aan
7. Response: temperatuur stijgt
NEGATIEVE FEEDBACKLOOP DIA 16
Factor -> sensor -> integrating center -> effector
Wordt aangeduid met een stippelijn met 2 streepjes op het einde: paarse pijl =
negatief
Voorbeeld: stijging van bloeddruk
, o De receptoren in de carotenoïden geven dit na de meting door aan de hersenen -> dit zorgt
ervoor dat het hart trager gaat kloppen
o De negatieve feedback loopt die zorgen dat de hersenen dit mechanisme doen laten stoppen
-> zodat het hart niet stopt met kloppen
Er is een range dat de fluctuatie toelaat. Die range hangt af van weefsel tot weefsel. Zo hebben we voor de
bloedconcentratie (hematocrieten) die een stricte range hebben van 3% omdat we geen klonter vorming
willen.
POSITIEVE FEEDBACKLOOP
Bevalling:
o Baby duwt tegen de cervixwand -> signaal komt vrij -
> komt oxytocine vrij -> zorgt voor
baarmoedercontracties -> baby wordt voorbij de
cervix geduwt -> duwt meer en meer en er komt
meer oxytocine vrij, meer contracties,…
o Pas wanneer de baby geleverd is krijgen we een
negatieve feedbackloop
HOOFDSTUK 2: MOLECULAIRE
INTERACTIES
HERHALING CHEMIE
Natrium = sodium
Kalium = potassium
BIOMOLECULE
Carboxyl = COOH
Hydroxyl = OH
Amino = NH2
Fosfaat = H2PO4
Monosacharide = fructose, glucose, galactose
Disacharide = sucrose, maltose, lactose
Polysacharide: glycogen, cellulose
Lipide: bevat minder O2 dan koolhydraten
Oligopeptides = 2-9 AZ
Polypeptide = 10-100 AZ
Proteïne = > 100 AZ
FYSIOLOGIE
F
HOMEOSTASE
WAAROM?
Niet alle organisme zijn homeostatisch; pantoffeldiertjes wel
Wat is homeostase: lichaamstemperatuur, waterhuishouding, drinken vs urineren willen we zo
evenwichtig mogelijk laten verlopen
Evolutionaire benadering: dieren vanuit zout -> zoet water tijdens de homeostatische evolutie
Een cellichaam bestaat uit verschillende delen.
Aan de buitenkant zitten de oppervlaktecellen van de huid (=epitheelcellen) en deze zijn voor een groot
deel ingebed in een vloeistof. Die vloeistof is het inwendig milieu van ons lichaam.
2 vloeistoffen
Intracellulaire vloeistof: dit is de kern en deze zit hier ingebed
met een hoop andere cellen
Extracellulaire vloeistof: dit is de buffer tov de buitenwereld
o = interstitiële vloeistof
o = inwendig milieu van een lichaam
o Homeostase is dus ook zeer belangrijk op celniveau
Voorbeeld: veel drinken
Als we veel gaan drinken dan gaat de extracellulaire vloeistof verdund worden -> de cel heeft een verstoorde
homeostase en wilt terug naar zijn evenwichtsvorm. Het gevolg is dat we moeten plassen -> hiervoor hebben
we een homeostatisch regelmechanisme dat ervoor gaat zorgen dat de nier dit gaat uitscheiden
STORING IN HOMEOSTASE
OORZAKEN
Inwendig: kanker, auto-immuunziekte
Uitwendig: trauma, toxische stoffen, bacteriën, het weer
,OPLOSSING
De cel wil dit gaan compenseren: lukt/ lukt niet
Lukt: persoon blijft gezond
Lukt niet: persoon is ziek
HOMEOSTASE: LOKALE CONTROLE VS REFLEX CONTROLE
Lokale controle: het inputsignaal leidt tot een rechtstreekse respons
o Rode neus, vingers
Reflex controle: hebben een integrating centre nodig
o Temperatuurregeling, ademhaling
Voorbeeld: O2 daling in de omgeving
Rechterarm: bloedvaten gaan zich aan de opp gaan uitzetten -> zorgt
ervoor dat er meer bloed gaat stromen: meestal gebeurt het niet op deze
manier
o Wel: de local change geeft een local response
Buiten in de kou staan -> krijgen een rode neus omdat de bloedvaten gaat open
zetten om extremiteiten meer warmte te geven. Dit is een lokale reactie op de
koude om zo te temperatuur te bewaren
o Meestal gebeurt homeostase via een integrating centra = hersenen
Bloeddrukregulatie: carotiden doen bloeddrukmetingen -> hersenen gaan die
evalueren en zorgen voor een reactie -> bloedvaten gaan open
Stimulus -> integrating center -> respons
FEEDBACKMECHANISME
STIMULUS -> SENSOR -> INPUT SIGNAL -> INTEGRATING CENTER -> OUTPUT SIGNAL ->
TARGET -> RESPONS
1. Stimulus: de temperatuur van het water is onder het setpoint
2. Sensor: thermometer
3. Input signal: signalen passeren van de sensor om de box te controleren
4. Integrating center: de controle box -> de controle box is geprogrammeerd om te reageren wanneer
de temperatuur hoger is dan 29°
5. Output signal: signaal gestuurd
6. Target: de verwarming springt aan
7. Response: temperatuur stijgt
NEGATIEVE FEEDBACKLOOP DIA 16
Factor -> sensor -> integrating center -> effector
Wordt aangeduid met een stippelijn met 2 streepjes op het einde: paarse pijl =
negatief
Voorbeeld: stijging van bloeddruk
, o De receptoren in de carotenoïden geven dit na de meting door aan de hersenen -> dit zorgt
ervoor dat het hart trager gaat kloppen
o De negatieve feedback loopt die zorgen dat de hersenen dit mechanisme doen laten stoppen
-> zodat het hart niet stopt met kloppen
Er is een range dat de fluctuatie toelaat. Die range hangt af van weefsel tot weefsel. Zo hebben we voor de
bloedconcentratie (hematocrieten) die een stricte range hebben van 3% omdat we geen klonter vorming
willen.
POSITIEVE FEEDBACKLOOP
Bevalling:
o Baby duwt tegen de cervixwand -> signaal komt vrij -
> komt oxytocine vrij -> zorgt voor
baarmoedercontracties -> baby wordt voorbij de
cervix geduwt -> duwt meer en meer en er komt
meer oxytocine vrij, meer contracties,…
o Pas wanneer de baby geleverd is krijgen we een
negatieve feedbackloop
HOOFDSTUK 2: MOLECULAIRE
INTERACTIES
HERHALING CHEMIE
Natrium = sodium
Kalium = potassium
BIOMOLECULE
Carboxyl = COOH
Hydroxyl = OH
Amino = NH2
Fosfaat = H2PO4
Monosacharide = fructose, glucose, galactose
Disacharide = sucrose, maltose, lactose
Polysacharide: glycogen, cellulose
Lipide: bevat minder O2 dan koolhydraten
Oligopeptides = 2-9 AZ
Polypeptide = 10-100 AZ
Proteïne = > 100 AZ