Mathijs Huizenga
opdracht 1.
A. Wat kunnen de deelnemers al? Hieronder de basiselementen.
+ = Kunnen ze al
- = Nog niet helemaal
x = Kunnen ze nog niet
Joey Elize Melissa
Te water gaan + + +
Onder water zijn - - -
Draaien + + +
Watertrappen x x x
Ademhaling - - -
Voortbewegen + + +
(met hulpmiddel)
Drijven x x x
Klimmen + + +
Hieronder benoem ik 2 punten bij ieder kind waar de kinderen nu zijn in het traject en
waar op geoefend word.
Deelnemer 1 ( Joey )
1. Beenslag
2. Enk. Rugslag met hulpmiddel
Deelnemer 2 ( Elize )
1. Ter water gaan zonder hulpmiddel
2. Enk. Rugslag
Deelnemer 3 ( Melissa )
1. Beenslag
2. Enk. Rugslag met hulpmiddel
, Begin situatie + Motorische kenmerken.
B,
Coӧrdinatie: de coӧrdinatie van de kinderen is matig omdat de kinderen nog niet weten hoe
zij de slagen combineren en eindigen in een schoolslag.
1. De kinderen maken een goede beenslag waardoor ze goed vooruit gaan
2. Je ziet dat de kinderen proberen een pannenkoek te maken met de handen maar er
alleen een beenslag voorkomt met de armen gestrekt.
Reactie : Ik zou zelf de armen eerst zo laten (gestrekt) en langzaam proberen
pannenkoekjes te maken. op een moment voelen zij de stuwing waardoor ze meer gebruik
gaan maken van de armen.
C,
Snelheid: Snelheid per kind ligt verschillend maar is gemiddeld onder niveau.
1. De kinderen geven nog niet genoeg kracht waardoor zij niet snel genoeg
voortbewegen en daardoor (zinken)
2. Kinderen liggen nog niet ontspannen in het water waardoor er veel weerstand
ontstaat.
Reactie: Techniek gaat voor bij ons, snelheid komt later als zij kracht hebben opgebouwd. Je
kan nog wel laten voelen hoe zij de kracht moeten gebruiken door middel van tegen duwen
van de benen tijdens de beenslag.
D,
Kracht: De kinderen zijn nog niet sterk genoeg om een mooie slag op snelheid uit te voeren.
1. De kinderen gaan niet snel genoeg vooruit waardoor zij nog niet in de uitdrijffase
belanden.
2. Ze drijven rechtop en liggen niet horizontaal in het water.
Reactie: Met een kleiner hulpmiddel (kurkje) laten zwemmen waardoor ze voelen dat ze
meer kracht moeten geven om vooruit te komen.
E,
Lenigheid: De lenigheid bij de kinderen is goed.
1. Dat zie je aan de beenslag, ze maken zich mooi lang.
2. Benen worden mooi gebuigd waardoor het makkelijker is om horizontaal te liggen.
Reactie: Elk kind is verschillend in hun lenigheid zo probeer je die te corrigeren op de juiste
manier! anders laten zwemmen zoals zij nu zwemmen op hun eigen slag.
F,