SV CEL- EN WEEFSELBIOLOGIE: 1e bachelor
farmaceutische wetenschappen 2022-2023
Britt Leo
,INLEIDING
• Leven? → Geen universele definitie
• NASA: “Life is a self sustaining chemical system capable of
Darwinian evolution (‘descent with modification’)
= aanpassing aan de omgeving (→ verschil in uiterlijk)
• Kenmerken levende cellen:
- sterke organisatie
- homeostase (= evenwicht met omgeving, balans, buffercapaciteit!)
- groei en ontwikkeling
→ opname v energie & materie uit de omgeving & transofrmatie
daarvan (bv. fotosynthese)
- reproductie
- respons tov stimule (intern/extern, bv. bij hitte)
- adaptie aan de omgeving
Organismen < cel (=basiseenheid)
1 ONTSTAAN VAN EUKARYOTE CELLEN
• Prokaryoten (= voor er een kern is ontstaan) ontstonden eerst
→ microfossielen, lijkend op bacteriën (3,4-3,5 miljard jaar oud)
→ 2 domeinen: Archaea (extreme milieus) en Bacteria
• Eukaryoten (= hebben een echte kern)
• Eerst gevormden: foto-autotroof (= voeden zichzelf mbv
lichtcapaciteit = fotosynthese!)
,• Bij planten: oxygene fotosynthese (= ontstaan van zuurstof)
• Kenmerken Eukarya/eukaryoten:
- cytomembranen (→ veel groter volume)
incl kernenvelop of kernmembraan (meest typische kenmerk)
- cytoskelet met motorische systemen
- complexe organisatie vh genoom + ruimtelijke scheiding translatie
en transcriptie
- ontstaan van mitochondria, peroxisomen (microbodies)
(= celorganel), plastiden
→ interiorisatie van respiratie en energieproductie
➢ Resultaat van endosymbiose tussen aërobe (fotosynthetische)
prokaryoten en een anaërobe voorloper van de eukaryote cel
(= samenleven vanbinnen in de cel = product van het uitwisselen
van allerlei stoffen (o.a. eiwitten) tussen mitochondria en cel)
➢ Hebben eigen genoom (= maken zelf eiwitten aan)
Prokaryoten (bv. plant) Eukaryoten
Uitsluitend eencellig Eencellig/meercellig
Celmembraan & celwand celmembraan
Geen kern Kern
Circulair chromosoom in cytosol Chromosomen in kern
Niet gecompartimenteerd organellen
Deling door doorsnoering Deling door mitose of meiose
, 2 CHEMISCHE BOUWSTENEN VAN CELLEN
➢ Eiwitten (proteïnen)
➢ Nucleïnezuren Polymeren (< monomeren)
➢ Polysachariden
➢ Vetten (lipiden)
70% van de cel = water
24% van de cel = macromoleculen
6% = rest (DNA, RNA, eiwitten…)
Eiwitten (proteïnen):
- korte ketens = peptiden
- lange ketens = polypeptiden
➢ Slechts 20 verschillende aminozuren worden gebruikt in
eiwitsynthese!
→ centraal C-atoom met:
- amino (NH2) groep = N-terminale
- carboxyl (COOH-) groep = C-terminale
- waterstof (H) atoom
- variabale groep (R-)
(Strcuturen kunnen herkennen!)
farmaceutische wetenschappen 2022-2023
Britt Leo
,INLEIDING
• Leven? → Geen universele definitie
• NASA: “Life is a self sustaining chemical system capable of
Darwinian evolution (‘descent with modification’)
= aanpassing aan de omgeving (→ verschil in uiterlijk)
• Kenmerken levende cellen:
- sterke organisatie
- homeostase (= evenwicht met omgeving, balans, buffercapaciteit!)
- groei en ontwikkeling
→ opname v energie & materie uit de omgeving & transofrmatie
daarvan (bv. fotosynthese)
- reproductie
- respons tov stimule (intern/extern, bv. bij hitte)
- adaptie aan de omgeving
Organismen < cel (=basiseenheid)
1 ONTSTAAN VAN EUKARYOTE CELLEN
• Prokaryoten (= voor er een kern is ontstaan) ontstonden eerst
→ microfossielen, lijkend op bacteriën (3,4-3,5 miljard jaar oud)
→ 2 domeinen: Archaea (extreme milieus) en Bacteria
• Eukaryoten (= hebben een echte kern)
• Eerst gevormden: foto-autotroof (= voeden zichzelf mbv
lichtcapaciteit = fotosynthese!)
,• Bij planten: oxygene fotosynthese (= ontstaan van zuurstof)
• Kenmerken Eukarya/eukaryoten:
- cytomembranen (→ veel groter volume)
incl kernenvelop of kernmembraan (meest typische kenmerk)
- cytoskelet met motorische systemen
- complexe organisatie vh genoom + ruimtelijke scheiding translatie
en transcriptie
- ontstaan van mitochondria, peroxisomen (microbodies)
(= celorganel), plastiden
→ interiorisatie van respiratie en energieproductie
➢ Resultaat van endosymbiose tussen aërobe (fotosynthetische)
prokaryoten en een anaërobe voorloper van de eukaryote cel
(= samenleven vanbinnen in de cel = product van het uitwisselen
van allerlei stoffen (o.a. eiwitten) tussen mitochondria en cel)
➢ Hebben eigen genoom (= maken zelf eiwitten aan)
Prokaryoten (bv. plant) Eukaryoten
Uitsluitend eencellig Eencellig/meercellig
Celmembraan & celwand celmembraan
Geen kern Kern
Circulair chromosoom in cytosol Chromosomen in kern
Niet gecompartimenteerd organellen
Deling door doorsnoering Deling door mitose of meiose
, 2 CHEMISCHE BOUWSTENEN VAN CELLEN
➢ Eiwitten (proteïnen)
➢ Nucleïnezuren Polymeren (< monomeren)
➢ Polysachariden
➢ Vetten (lipiden)
70% van de cel = water
24% van de cel = macromoleculen
6% = rest (DNA, RNA, eiwitten…)
Eiwitten (proteïnen):
- korte ketens = peptiden
- lange ketens = polypeptiden
➢ Slechts 20 verschillende aminozuren worden gebruikt in
eiwitsynthese!
→ centraal C-atoom met:
- amino (NH2) groep = N-terminale
- carboxyl (COOH-) groep = C-terminale
- waterstof (H) atoom
- variabale groep (R-)
(Strcuturen kunnen herkennen!)