De student….
1. Toont aan inzicht te hebben in de betekenis van het begrip “evidence-based handelen
in de logopedie”
Onderste niveau = meningen van experts -> komt steeds meer evidentie bij. Evidentie
is niet groot als een logopedist bijvoorbeeld een test uitvoert bij een patiënt. Als er bij
meer patiënten een onderzoek wordt gedaan is er al meer zekerheid over de werking
van de behandeling, dus meer evidentie. Meer evidentie met controlegroep. Nog een
stap verder -> controlegroep random indelen. Groepen met elkaar vergelijken.
2. Beschrijft de 5 stappen van ‘evidence-based practice’ volgens Kalf & De Beer (2011)
- De behoefte aan informatie omzetten in een beantwoordbare vraag.
- Zoeken naar het beste bewijs dat de vraag kan beantwoorden.
- Kritische beoordeling van het bewijs: is het valide en toepasbaar?
- Met het bewijs een beslissing nemen die past in de omstandigheden van de
patiënt.
- Evalueren: wat is het resultaat en kan deze werkwijze de volgende keer beter en
efficiënter?
3. Beschrijft het verschil tussen wetenschap en pseudo-wetenschap, uitgaand van de
beschrijving van Spek (2011).
Pseudowetenschappelijke claims zijn te herkennen aan:
- Geen plausibele wetenschappelijke basis
- Geen falsificatie; alleen kijken naar ondersteunend bewijs
- Steunt vooral op persoonlijke succesverhalen
- Gebruik van onduidelijke termen en definities
- Claimt grandioze effecten
- Vermijding van kritische beoordeling door anderen
- Slecht gedefinieerde effecten
- Evaluatie is niet mogelijk
In de pseudowetenschap worden bestaande theoriën aan de kant geschoven, nieuwe
theorievorming wordt genegeerd. Ze passen zich niet aan aan veranderende
evidentie. Methodes gebaseerd op wetenschap nemen nieuwe inzichten mee en zijn
dus in beweging.
4. Beschijft de kenmerken van de verschillende niveaus van de evidentie piramide
Meerdere studies bekijken die allemaal hetzelfde hebben onderzocht. Die met elkaar
vergelijken. Hoe hoger aan de piramide iets staat hoe beter de evidentie dat iets
werkt.
5. Noemt de criteria die gelden voor een onderzoeksvraag
PICO toepassen. Problem (patient), Intervention, Comparison en Outcome. Welk
probleem is er?/Om welke patiëntgroep of populatie gaat het? Wat kan aan het
probleem worden gedaan?/Welke test of therapie wordt gebruikt? Waarmee kan de
interventie worden vergeleken? In welk resultaat is men geïnteresseerd?