Theoretisch kader............................................................................................................ 2
De baby (0-1 jaar)............................................................................................................ 4
De dreumes (1-2 jaar)....................................................................................................... 6
De peuter (2-4 jaar).......................................................................................................... 9
De kleuter (4-6 jaar)....................................................................................................... 10
Het basisschoolkind (6-10 jaar).......................................................................................11
De puber (10-14 jaar)...................................................................................................... 15
De adolescent (14 – 22 jaar)............................................................................................17
De volwassene (22 – 65 jaar)........................................................................................... 19
De oudere (>65 jaar)...................................................................................................... 21
1
, Opgroeien in grootstedelijke context
Hogeschool Rotterdam
Theoretisch kader
Ontwikkelingsfasen
Prenatale periode Conceptie - geboorte
Baby 0 – 1 jaar
Dreumes 1 – 2 jaar
Peuter 2 – 4 jaar
Kleuter 4 – 6 jaar
Basisschoolkind 6 – 10 jaar
Puberteit 10 – 14 jaar
Adolescentie 14 – 22 jaar
Jongvolwassenheid 22 – 35 jaar
Middenvolwassenheid 35 – 55 jaar
Late volwassenheid 55 – 65 jaar
Oudere 65+ jaar
Normatieve ontwikkeling
o Normatieve ontwikkeling = algemene veranderingen die kinderen laten zien
naarmate ze ouder worden
- Komt over het algemeen redelijk overeen, hoe ouder iemand wordt, hoe meer
verschillen er te zien zijn
- Vb: leren lopen, leren praten, seksuele rijping
Ontwikkelingsthema’s
Ontwikkelingsthema Voorbeelden van onderwerpen
Fysieke ontwikkeling Groei, spieren
Motorische ontwikkeling Bewegen
Perceptuele ontwikkeling Waarnemen middels zintuigen
Cognitieve ontwikkeling Intellectuele vermogens zoals denken, begrijpen
Sociale ontwikkeling Sociale relaties
Emotionele ontwikkeling Gevoelens
Persoonlijkheidsontwikkeling Eigenschappen
Sensuele/seksuele Seksuele gevoelens
ontwikkeling
Morele ontwikkeling Goed en kwaad
Taalontwikkeling Communicatie
Ontwikkelingskenmerken
o Cumulatief = vaardigheden en ervaringen bouwen elkaar voort
- vb: eerste tafels leren dan wiskunde
o Differentiatieproces = specifieke vaardigheden ontstaan uit met algemene
vermogens
- vb: uit grijpreflex ontstaat leren schrijven
o Georganiseerd = vaste, logische, onomkeerbare volgorde van ontwikkeling
- vb: kruipen – lopen – staan
o Holistisch = aspecten van een persoon veranderen samen en integreren met
elkaar
2
, Gevoelige periodes
o Gevoelige periode = periode van versnelde ontwikkeling en verhoogde
gevoeligheid van stimuli vanuit de omgeving
o Voorbeelden:
- Gevoelige periode voor leren lezen -> bij veel kinderen tussen het 4e en 6e jaar
- Taalverwerving tijdens de eerste levensjaren -> als kind niet in contact komt
met taal, zal het waarschijnlijk een taalachterstand oplopen
Ontwikkelingsverloop
o Ontwikkeling verloopt continu of discontinu
- Continu = verloopt geleidelijk, zonder snelle of abrupte veranderingen
- Discontinu = verloopt eet abrupt, in aparte stappen
o Ontwikkeling verloopt kwantitatief of kwalitatief
- Kwantitatief = nieuw vaardigheden vloeien automatisch voort uit eerder
verworven vaardigheden (continu)
- Kwalitatief = elke fase levert nieuw gedrag op dat wezenlijk verschilt met de
vorige fase (discontinu)
Psychosociale ontwikkelingstheorie van Erik Erikson
o Elk stadium moet er conflict, crisis of uitdaging opgelost worden zodat
ontwikkeling plaatsvindt -> ongeacht het wordt opgelost, kom je in alle fasen
o Goede oplossing van sociale uitdaging leidt tot voldoening gevend bestaan; een
slechte oplossing is de oorzaak van psychische problemen
Stadium Leeftijd Crisis/conflict/uitdaging
Babytijd 0-18 maanden Vertrouwen vs wantrouwen
Peutertijd 18 maanden – 3 jaar Autonomie vs schuld, schaamte
Kleutertijd 3 - 5/6 jaar Initiatief vs schuld
Basisschoolkind 6 – 12 jaar Vlijt vs minderwaardigheid
Adolescentie 12 - 18 jaar Identiteit vs tolverwarring
Jongvolwassenheid 18 – 35 jaar Intimiteit vs isolatie
Middenvolwassenheid 35 – 70 jaar Generativiteit vs stagnatie
Ouderdomsfase 70 jaar - dood Integriteit vs wanhoop
Morele ontwikkelingstheorie van Lawrence Kohlberg
o Niveau 1: preconventioneel: wat goed of fout is, is afhankelijk van straf of
beloning (0 tot 10/12 jaar)
- Stadium 1: nadruk op het voorkomen van straf
- Stadium 2: nadruk op het verkrijgen van een beloning
o Niveau 2: conventioneel: handelen vanuit groepsbelangen en algemene
belangen (10 tot 18 jaar)
- Stadium 3: nadruk op gerespecteerd willen worden door anderen
- Stadium 4: nadruk op sociale orde en autoriteit binnen gehele maatschappij
o Niveau 3: postconventioneel: universele morele principes (vanaf 18 jaar)
- Stadium 5: normen zij belangrijk, maar kunnen herzien worden als ze indruisen
tegen het algemeen belang
- Stadium 6: opstellen eigen ethisch verantwoorde code, gebaseerd op
universele principes
3