Moderne wijsbegeerte: verdiepende cursus
Over Humes Treatise of Human Nature en Spinoza’s Ethica
ECTS: “het doel van de cursus is om te proberen de verschuiving te begrijpen die het begrip
‘passie’ ondergaat in een ‘natuur’ die beroofd is van de conatus…”
Inleiding
Humes Treatise: onderneemt natural philosophy zonder metafysische elementen (zijn,
substantie, God) → wat blijft er over van filosofie als kenvermogen?
Hume bekritiseert metafysica:
- obscurantisme: MF schrijft diepzinnige betekenis toe aan woorden, maar filosofie gaat
hier niet over
- MF is menselijke ijdelheid: pretentie om te kunnen doordringen tot dat wat
ontoegankelijk is voor het menselijk verstand
- MF is bron van vergissingen in het denken
- MF leidt enkel tot debatten en disputen, maar die gaan over niets
⇔ Descartes: we hebben MF nodig omdat filosofie tot nu toe enkel heeft geleid tot
debatten, MF helpt dit overstijgen
- de enige bron van kennis = ervaring → empirisme
Descartes
*sensations = impressies op lichaam als automaton, res extensa en haar beweging → geen
perceptie, denkt niet, onbewust, inert
[ziel is extra dimensie die onherleidbaar is tot mechanische van lichaam]
*bronnen van kennis = perceptions (altijd gemedieerd door het mentale)
als zintuiglijke impressies en voorstellingen, mentale vertaling van lichamelijk proces
1. heldere en onderscheiden ideeën: intelligibel door eigen helderheid en onderscheiden
uit zichzelf
leidt tot idee van lichaam als automaton en geest als denkvermogen
lichaam zelf produceert principe van beweging door spijsvertering ⇔ bezield, vermogen
- vertering door zuur via beweging
- onverteerbare deeltjes weg, de rest komt via bloed in hart terecht en verdampt
- zo komt het in brein terecht = levensgeesten: niet bezield, louter resultaten van
bloed
- pijnappelklier: een materieel idee werkt in op bepaalde vezels in mijn spieren
afhankelijk van mijn wil
! geen onruimtelijke ziel nodig, beweging in lichaam gaat vanzelf
‘ziel in pijnappelklier’ = gezegde, geen causaal verband geest-lichaam; ziel =
geest = cogito
1
, materie = res extensa:
1. beweging
2. geometrische figuren
3. driedimensioneel
2. confuse ideeën: op basis van ervaring
a. zintuiglijke percepties
b. passies
*de overgang tussen sensations en perceptions gebeurt door ‘institution de la nature’, maken
we zelf niet
Hume
MF deconstrueren op basis van psychologie
maakt systeem enkel van dat waartoe we toegang hebben:
- impressions niet nodig want we hebben hier geen toegang toe; impressions bij Hume
zijn door en door mentaal en geen plaats voor lichaam of substantiële vormen
- heldere en onderscheiden ideeën niet nodig
- enkel confuse ideeën blijven over → kennis gedreven door imagination → hoe kunnen
we hiermee filosoferen?
- imagination = motor achter relaties tussen ideeën
- de orde in impressies komt door contiguïteit en causaliteit, we leven in chaos en waanzin
- atheïst → Descartes’ en Spinoza’s MF = waardeloos
⇒ radicale kritiek en scepticisme
experience = perceptions
1. impressions
2. ideas: wat er overblijft als object afwezig is
Over moderne filosofie
1. primaire eigenschappen = extensa
- ondoordringbaarheid
- penetratie
- we kunnen onderscheiden maken in de ruimte door geometrische figuren te
herkennen
2. secundaire eigenschappen: kleur, geur, smaak
~ Descartes: we kunnen niet obv secundaire eigenschappen bestaan toekennen aan iets
Hume: we kunnen ook niet obv primaire eigenschappen bestaan toekennen → scepticisme
stel idee ondoordringbaarheid-penetratie = cirkelredenering
- iets kan maar ondoordringbaar zijn als het niet gepenetreerd wordt door iets anders
- iets kan maar iets anders penetreren als het een soort ondoordringbaarheid bezit
→ ideeën nodig om elkaar te denken, anders implosie of entropie
⇒ moderne filosofie is niet genoeg om de waarheid van de werkelijkheid te bereiken
Spinoza
2
,MF staat op het spel, maar is anders dan obscurantisme
vergelijking Spinoza-Hume:
● Spinoza: MF gericht op vrijheid/bevrijding
○ kennis 2e soort helpt niet ons bevrijden (inzicht in miserie)
○ bekering, intuïtie wel: inzicht dat mij toelaat mezelf te zien als singulier wezen
vanuit oneindige = vrijheid
○ intuïtie = activiteit: hoogste vorm van intellectuele activiteit
○ vrijheid = handelen overeenkomstig adequate ideeën
○ Ethica als een grote probleemstelling waarbij heel systeem van coherent denken
nodig is om een concept te ontwikkelen
● Hume: kennis om de wereld met zekerheid te betreden (~Descartes)
○ Deleuze: gedachtegang ontwikkelen die datgene wat je als probleem zag, opheft
○ Hume vermijdt alle valse problemen, schijnproblemen (waarde hangt af van
mogelijk antwoord)
○ geen uitweg, scepticisme
Deleuze ziet hoe hun projecten hetzelfde zijn, maar prof niet
Exterioriteit
Hebben we toegang tot de werkelijkheid?
Hume: we weten dit niet
Descartes: zintuiglijke kennis
we weten op basis van perceptie niet of er een object onze perceptie veroorzaakt → we hebben
ideeën nodig om uit het mentale te geraken: ideeën die iets exterieur aan mentale garanderen
→ idee van God: gegeven door het cogito, helder en onderscheiden (moet bestaan want
oorzaak van idee ‘oneindigheid’ in mijn geest)
⇒ God als oorzaak buiten mij garandeert bestaan buitenwereld
3 grote rationalisten over het statuut van ideeën
1. Descartes: idee = representatief
idee is voorstelling van iets buiten mij
2. Malebranche: idee = participatief
mijn idee neemt deel aan de ideeën van God
3. Spinoza: idee = expressief
een adequaat idee is een uitdrukking van God/substantie
Hume: MF is
1. werkt als bescherming tegen bijgeloof: je kan toch uit mentale breken, God als rechter
2. menselijke ijdelheid: ijdel om te geloven dat onze ideeën toegang zouden hebben tot het
zijn, hoe onpersoonlijk dan ook (zoals bij Spinoza maar modus van substantie); ijdel om
te denken dat we ons zelf uit mentale voorstelling zouden kunnen trekken
3
, De notie van ‘natuur’
1) Descartes
natuur = stopwoord vanuit ervaring
A. natuur = domein van ervaring
ideeën bevatten iets bedrieglijk in zichzelf = materieel valse ideeën = impulsion
- idee (perceptie) regen → ‘het regent’
- het idee bevat in zich al een claim van gelijkenis, idee verleidt mij tot oordeel vellen
- idee claimt inherent te veel, is te actief
- perceptie → WKH (is oorzaak van perceptie)
- vals: als activiteit van het denken, idee beantwoordt niet aan wil want inhoud zorgt al
voor oordeel
⇔ Spinoza: ervaring = domein van verbeelding; Hume: enige wat overblijft
B. in relatie geest-lichaam
● h & o ideeën: het intellect differentieert tussen geest en lichaam (automaton)
● confuse ideeën: ervaring is
○ verbanden ondergaan: object-idee object
○ lichaam ervaren alsof geanimeerd, alsof L en G een totaliteit vormen op vlak van
ervaring
C. geloof in ruimte en lichamen buiten mij
⇔ Spinoza: vermogen van impact op andere dingen
D. institution de la nature
= goddelijke natuur die zichzelf institutioneert, God die natuur instelt
⇔ valt weg bij Hume: over natuur is niets te zeggen
voorbeeld mbt G-L: nescio/je ne sais quoi = iets voelen wat niet tot domein van ideeën behoort,
je kan dit enkel ondergaan
wijst op ondenkbare natuur van de schepper, je weet niet waarom het zo geïnstitueerd is
→ de overgang van machinaal lichaam naar ziel die percipieert proberen te verklaren =
verkeerd probleem: hier valt niets over te zeggen, is gewoon institutie van de natuur
2) Spinoza
natuur = metafysisch rijker concept
A. 1e orde kennis = verbeelding/imaginaire
= wat er overblijft van perceptie wanneer object weg is (~Hume) (=/ autonoom vermogen om
beelden op te roepen)
- spoor in lichaam (dispositien afhankelijk van constitutie)
- mentale voorstelling
A. is uitdrukking van B.
4
Over Humes Treatise of Human Nature en Spinoza’s Ethica
ECTS: “het doel van de cursus is om te proberen de verschuiving te begrijpen die het begrip
‘passie’ ondergaat in een ‘natuur’ die beroofd is van de conatus…”
Inleiding
Humes Treatise: onderneemt natural philosophy zonder metafysische elementen (zijn,
substantie, God) → wat blijft er over van filosofie als kenvermogen?
Hume bekritiseert metafysica:
- obscurantisme: MF schrijft diepzinnige betekenis toe aan woorden, maar filosofie gaat
hier niet over
- MF is menselijke ijdelheid: pretentie om te kunnen doordringen tot dat wat
ontoegankelijk is voor het menselijk verstand
- MF is bron van vergissingen in het denken
- MF leidt enkel tot debatten en disputen, maar die gaan over niets
⇔ Descartes: we hebben MF nodig omdat filosofie tot nu toe enkel heeft geleid tot
debatten, MF helpt dit overstijgen
- de enige bron van kennis = ervaring → empirisme
Descartes
*sensations = impressies op lichaam als automaton, res extensa en haar beweging → geen
perceptie, denkt niet, onbewust, inert
[ziel is extra dimensie die onherleidbaar is tot mechanische van lichaam]
*bronnen van kennis = perceptions (altijd gemedieerd door het mentale)
als zintuiglijke impressies en voorstellingen, mentale vertaling van lichamelijk proces
1. heldere en onderscheiden ideeën: intelligibel door eigen helderheid en onderscheiden
uit zichzelf
leidt tot idee van lichaam als automaton en geest als denkvermogen
lichaam zelf produceert principe van beweging door spijsvertering ⇔ bezield, vermogen
- vertering door zuur via beweging
- onverteerbare deeltjes weg, de rest komt via bloed in hart terecht en verdampt
- zo komt het in brein terecht = levensgeesten: niet bezield, louter resultaten van
bloed
- pijnappelklier: een materieel idee werkt in op bepaalde vezels in mijn spieren
afhankelijk van mijn wil
! geen onruimtelijke ziel nodig, beweging in lichaam gaat vanzelf
‘ziel in pijnappelklier’ = gezegde, geen causaal verband geest-lichaam; ziel =
geest = cogito
1
, materie = res extensa:
1. beweging
2. geometrische figuren
3. driedimensioneel
2. confuse ideeën: op basis van ervaring
a. zintuiglijke percepties
b. passies
*de overgang tussen sensations en perceptions gebeurt door ‘institution de la nature’, maken
we zelf niet
Hume
MF deconstrueren op basis van psychologie
maakt systeem enkel van dat waartoe we toegang hebben:
- impressions niet nodig want we hebben hier geen toegang toe; impressions bij Hume
zijn door en door mentaal en geen plaats voor lichaam of substantiële vormen
- heldere en onderscheiden ideeën niet nodig
- enkel confuse ideeën blijven over → kennis gedreven door imagination → hoe kunnen
we hiermee filosoferen?
- imagination = motor achter relaties tussen ideeën
- de orde in impressies komt door contiguïteit en causaliteit, we leven in chaos en waanzin
- atheïst → Descartes’ en Spinoza’s MF = waardeloos
⇒ radicale kritiek en scepticisme
experience = perceptions
1. impressions
2. ideas: wat er overblijft als object afwezig is
Over moderne filosofie
1. primaire eigenschappen = extensa
- ondoordringbaarheid
- penetratie
- we kunnen onderscheiden maken in de ruimte door geometrische figuren te
herkennen
2. secundaire eigenschappen: kleur, geur, smaak
~ Descartes: we kunnen niet obv secundaire eigenschappen bestaan toekennen aan iets
Hume: we kunnen ook niet obv primaire eigenschappen bestaan toekennen → scepticisme
stel idee ondoordringbaarheid-penetratie = cirkelredenering
- iets kan maar ondoordringbaar zijn als het niet gepenetreerd wordt door iets anders
- iets kan maar iets anders penetreren als het een soort ondoordringbaarheid bezit
→ ideeën nodig om elkaar te denken, anders implosie of entropie
⇒ moderne filosofie is niet genoeg om de waarheid van de werkelijkheid te bereiken
Spinoza
2
,MF staat op het spel, maar is anders dan obscurantisme
vergelijking Spinoza-Hume:
● Spinoza: MF gericht op vrijheid/bevrijding
○ kennis 2e soort helpt niet ons bevrijden (inzicht in miserie)
○ bekering, intuïtie wel: inzicht dat mij toelaat mezelf te zien als singulier wezen
vanuit oneindige = vrijheid
○ intuïtie = activiteit: hoogste vorm van intellectuele activiteit
○ vrijheid = handelen overeenkomstig adequate ideeën
○ Ethica als een grote probleemstelling waarbij heel systeem van coherent denken
nodig is om een concept te ontwikkelen
● Hume: kennis om de wereld met zekerheid te betreden (~Descartes)
○ Deleuze: gedachtegang ontwikkelen die datgene wat je als probleem zag, opheft
○ Hume vermijdt alle valse problemen, schijnproblemen (waarde hangt af van
mogelijk antwoord)
○ geen uitweg, scepticisme
Deleuze ziet hoe hun projecten hetzelfde zijn, maar prof niet
Exterioriteit
Hebben we toegang tot de werkelijkheid?
Hume: we weten dit niet
Descartes: zintuiglijke kennis
we weten op basis van perceptie niet of er een object onze perceptie veroorzaakt → we hebben
ideeën nodig om uit het mentale te geraken: ideeën die iets exterieur aan mentale garanderen
→ idee van God: gegeven door het cogito, helder en onderscheiden (moet bestaan want
oorzaak van idee ‘oneindigheid’ in mijn geest)
⇒ God als oorzaak buiten mij garandeert bestaan buitenwereld
3 grote rationalisten over het statuut van ideeën
1. Descartes: idee = representatief
idee is voorstelling van iets buiten mij
2. Malebranche: idee = participatief
mijn idee neemt deel aan de ideeën van God
3. Spinoza: idee = expressief
een adequaat idee is een uitdrukking van God/substantie
Hume: MF is
1. werkt als bescherming tegen bijgeloof: je kan toch uit mentale breken, God als rechter
2. menselijke ijdelheid: ijdel om te geloven dat onze ideeën toegang zouden hebben tot het
zijn, hoe onpersoonlijk dan ook (zoals bij Spinoza maar modus van substantie); ijdel om
te denken dat we ons zelf uit mentale voorstelling zouden kunnen trekken
3
, De notie van ‘natuur’
1) Descartes
natuur = stopwoord vanuit ervaring
A. natuur = domein van ervaring
ideeën bevatten iets bedrieglijk in zichzelf = materieel valse ideeën = impulsion
- idee (perceptie) regen → ‘het regent’
- het idee bevat in zich al een claim van gelijkenis, idee verleidt mij tot oordeel vellen
- idee claimt inherent te veel, is te actief
- perceptie → WKH (is oorzaak van perceptie)
- vals: als activiteit van het denken, idee beantwoordt niet aan wil want inhoud zorgt al
voor oordeel
⇔ Spinoza: ervaring = domein van verbeelding; Hume: enige wat overblijft
B. in relatie geest-lichaam
● h & o ideeën: het intellect differentieert tussen geest en lichaam (automaton)
● confuse ideeën: ervaring is
○ verbanden ondergaan: object-idee object
○ lichaam ervaren alsof geanimeerd, alsof L en G een totaliteit vormen op vlak van
ervaring
C. geloof in ruimte en lichamen buiten mij
⇔ Spinoza: vermogen van impact op andere dingen
D. institution de la nature
= goddelijke natuur die zichzelf institutioneert, God die natuur instelt
⇔ valt weg bij Hume: over natuur is niets te zeggen
voorbeeld mbt G-L: nescio/je ne sais quoi = iets voelen wat niet tot domein van ideeën behoort,
je kan dit enkel ondergaan
wijst op ondenkbare natuur van de schepper, je weet niet waarom het zo geïnstitueerd is
→ de overgang van machinaal lichaam naar ziel die percipieert proberen te verklaren =
verkeerd probleem: hier valt niets over te zeggen, is gewoon institutie van de natuur
2) Spinoza
natuur = metafysisch rijker concept
A. 1e orde kennis = verbeelding/imaginaire
= wat er overblijft van perceptie wanneer object weg is (~Hume) (=/ autonoom vermogen om
beelden op te roepen)
- spoor in lichaam (dispositien afhankelijk van constitutie)
- mentale voorstelling
A. is uitdrukking van B.
4