Voeding bij gezondheid en ziekte
Inhoud
Hoofdstuk 21; Ondervoeding.................................................................................................................2
21.1 Chronische en acute ondervoeding: oorzaken en gevolgen.......................................................2
21.2 Vroegtijdige opsporing van (kans op) ondervoeding..................................................................3
21.3 Bepalen van de voedingstoestand..............................................................................................4
21.4 Preventie en behandeling van ondervoeding.............................................................................5
, Hoofdstuk 21; Ondervoeding
21.1 Chronische en acute ondervoeding: oorzaken en gevolgen
Ondervoeding = toestand waarbij het lichaam over onvoldoende voedingsstoffen
beschikt (slechte voedingstoestand / depletie (= toestand van een tekort)).
Kwashiorkor = tekort aan eiwitten;
Marasmus = tekort aan energie en eiwitten;
Deficiëntieziekten (zoals pellagra (niacine) en beriberi (vitamine B 1)) = tekort
aan vitamines en mineralen.
Er wordt onderscheid gemaakt in chronische en acute ondervoeding:
- Chronische ondervoeding = de hongerstaker primair;
Overschakelen op vetverbranding, vorming van ketonen;
Hersenellen gaan over op verbranding van ketonen;
Verlagen van basaal metabolisme;
Beperkte gluconeogenese, beperkte en selectieve eiwitafbraak;
Verschijnselen: extreme vermoeidheid, apathie, psychische stoornissen.
- Acute ondervoeding = versterkte eiwitafbraak door katabole stress. Bij ernstig
zieke patiënten door fysieke stress secundair.
Het lichaam is in staat van paraatheid;
Basaal metabolisme is verhoogd, het lichaam heeft meer energie nodig;
Vetten en eiwitten worden afgebroken (gluconeogenese), om in de
verhoogde behoefte aan energie te voorzien;
Verschuiving van eiwitten van perifere weefsels naar de centrale weefsels
ok in de verhoogde behoefte aan aminozuren voor het immuunsysteem en
voor de wondgenezing te voorzien;
Gevolgen van energetische ondervoeding: chronische ondervoeding
- Gewichtsverlies door afname van onderhuids vetweefsel en spiermassa;
- Op den duur mager uiterlijk. In vergevorderd stadium ingevallen wangen door
verdwijnen van onderhuids vetweefsel in het gezicht;
- Ruime, losse huid door afname onderhuids vetweefsel en spiermassa;
- Moeheid, weinig spierkracht door afname spiermassa. In vergevorderd
stadium gevaar voor longontsteking, omdat de spieren die nodig zijn voor
hoesten sterk zijn afgenomen;
- Bleke, koude huid door vaatvernauwing;
- Droge huid door beperkte zweetproductie;
- De extremiteiten zijn cyanotisch (minder sterk doorbloed);
- Ondervoede mensen zijn kouwelijk en hebben gauw kippenvel (door verlaagd
metabolisme).
Gevolgen van eiwitondervoeding: acute ondervoeding
- Verminderde aanmaak van bloedeiwitten, waardoor de colloïd-osmotische
druk daalt en oedeem ontstaat;
- Verhoogde vatbaarheid voor infecties door een gestoorde aanmaak van
leukocyten en immunoglobulinen;
- Moeheid, weinig spierkracht door afname spiermassa. Gevaar voor
longontsteking, omdat de spieren die nodig zijn voor hoesten sterk zijn
afgenomen en de immunologische afweer is verminderd;
- Dunne, kwetsbare, doorschijnende huid, er treden snel wondjes op;
Inhoud
Hoofdstuk 21; Ondervoeding.................................................................................................................2
21.1 Chronische en acute ondervoeding: oorzaken en gevolgen.......................................................2
21.2 Vroegtijdige opsporing van (kans op) ondervoeding..................................................................3
21.3 Bepalen van de voedingstoestand..............................................................................................4
21.4 Preventie en behandeling van ondervoeding.............................................................................5
, Hoofdstuk 21; Ondervoeding
21.1 Chronische en acute ondervoeding: oorzaken en gevolgen
Ondervoeding = toestand waarbij het lichaam over onvoldoende voedingsstoffen
beschikt (slechte voedingstoestand / depletie (= toestand van een tekort)).
Kwashiorkor = tekort aan eiwitten;
Marasmus = tekort aan energie en eiwitten;
Deficiëntieziekten (zoals pellagra (niacine) en beriberi (vitamine B 1)) = tekort
aan vitamines en mineralen.
Er wordt onderscheid gemaakt in chronische en acute ondervoeding:
- Chronische ondervoeding = de hongerstaker primair;
Overschakelen op vetverbranding, vorming van ketonen;
Hersenellen gaan over op verbranding van ketonen;
Verlagen van basaal metabolisme;
Beperkte gluconeogenese, beperkte en selectieve eiwitafbraak;
Verschijnselen: extreme vermoeidheid, apathie, psychische stoornissen.
- Acute ondervoeding = versterkte eiwitafbraak door katabole stress. Bij ernstig
zieke patiënten door fysieke stress secundair.
Het lichaam is in staat van paraatheid;
Basaal metabolisme is verhoogd, het lichaam heeft meer energie nodig;
Vetten en eiwitten worden afgebroken (gluconeogenese), om in de
verhoogde behoefte aan energie te voorzien;
Verschuiving van eiwitten van perifere weefsels naar de centrale weefsels
ok in de verhoogde behoefte aan aminozuren voor het immuunsysteem en
voor de wondgenezing te voorzien;
Gevolgen van energetische ondervoeding: chronische ondervoeding
- Gewichtsverlies door afname van onderhuids vetweefsel en spiermassa;
- Op den duur mager uiterlijk. In vergevorderd stadium ingevallen wangen door
verdwijnen van onderhuids vetweefsel in het gezicht;
- Ruime, losse huid door afname onderhuids vetweefsel en spiermassa;
- Moeheid, weinig spierkracht door afname spiermassa. In vergevorderd
stadium gevaar voor longontsteking, omdat de spieren die nodig zijn voor
hoesten sterk zijn afgenomen;
- Bleke, koude huid door vaatvernauwing;
- Droge huid door beperkte zweetproductie;
- De extremiteiten zijn cyanotisch (minder sterk doorbloed);
- Ondervoede mensen zijn kouwelijk en hebben gauw kippenvel (door verlaagd
metabolisme).
Gevolgen van eiwitondervoeding: acute ondervoeding
- Verminderde aanmaak van bloedeiwitten, waardoor de colloïd-osmotische
druk daalt en oedeem ontstaat;
- Verhoogde vatbaarheid voor infecties door een gestoorde aanmaak van
leukocyten en immunoglobulinen;
- Moeheid, weinig spierkracht door afname spiermassa. Gevaar voor
longontsteking, omdat de spieren die nodig zijn voor hoesten sterk zijn
afgenomen en de immunologische afweer is verminderd;
- Dunne, kwetsbare, doorschijnende huid, er treden snel wondjes op;