Crisis
Hoofdstuk 1. Kiezen
1.1 kiezen
Het inzetten van machines of computers leidt in eerste instantie tot werkeloosheid, maar op
termijn ontstaan er weer banen in andere sectoren. Er zijn nu relatief minder boeren en meer
therapeuten, sportschool- en yogaleraren. Als er minder wordt gekocht word en ook minder
geproduceerd en daald de werk gelegenheid. Een gevolg van de kredietcrisis in 2015 was dat het
consumentenvertrouwen afnamen. Het consumentenvertrouwen geeft informatie over de
verwachtingen van consumenten over de ontwikkeling van de economie. Als mensen meer gaan
sparen en minder gaan consumeren daalt de productie en de werkgelegenheid nog meer.
De ECB (europese centrale bank) wil de werkloosheid te lijf gaan door de bestedingen te
stimuleren. Dit doet zij door de rente te verlagen. Bij een lagere rente gaan mensen meer lenen
en minder sparen. De geldhoeveelheid neemt dan toe en daardoor kunnen de bestedingen
toenemen. waardoor de productie toeneemt en de werkloosheid af. Een sterke groei van de
geldhoeveelheid kan de inflatie aanjagen. Inflatie is de stijging van het algemeen prijspeil. Een
nadeel is dat de koopkracht van vaste inkomens daalt. De koopkracht hangt af van het inkomen
en de prijzen. Deflatie is als de prijzen dalen. Mensen die inkomen hebben in de vorm van rent,
huur en winst zullen rijker worden ten opzichte van de mensen die loon als inkomen hebben.
1.2 economie gaat over kiezen
Goederen kun je vastpakken, ze zijn stoffelijk zoals een mobieltje. Diensten zijn onstoffelijk zoals
‘op vakantie gaan’. Goederen en diensten noemen we producten. Hoe meer producten mensen
kunnen kopen des te welvarender ze zijn. Het kopen van producten boot behoeftebevrediging
heet consumeren. Worden producten gekocht voor een bedrijf, dan voorzien ze niet in de
behoeften van de koper maar worden ze gebruikt om verder mee te produceren. Een investering
is het aanschaffen van goederen en diensten door bedrijven om er mee te produceren. De
behoeften of wensen zijn veel groter dan de middelen. De spanning hiertussen is schaarste. In
het dagelijks leven is goed schaars gebrek aan. In de economie wordt het begrip schaarste
gebruikt in relatieve zin: een product is schaars, als er een offer of inspanning moet worden
geleverd om het goed te maken. Schaarse goederen kosten geld. Goederen die geen schaarse
middelen nodig hebben zoals lucht noemen we vrije goederen.
De opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste, niet gekozen alternatief. Keuzes en
opofferingskosten worden vaak uitgedrukt in geld f in tijd. ‘Tijd is geld’.
1.3 budgetlijn
Een budgetlijn geeft de verschillende keuzemogelijkheden aan bij een gegeven budget. Het
budget wordt meestal uitgedrukt in geld maar soms ook in tijd.
Hoofdstuk 1. Kiezen
1.1 kiezen
Het inzetten van machines of computers leidt in eerste instantie tot werkeloosheid, maar op
termijn ontstaan er weer banen in andere sectoren. Er zijn nu relatief minder boeren en meer
therapeuten, sportschool- en yogaleraren. Als er minder wordt gekocht word en ook minder
geproduceerd en daald de werk gelegenheid. Een gevolg van de kredietcrisis in 2015 was dat het
consumentenvertrouwen afnamen. Het consumentenvertrouwen geeft informatie over de
verwachtingen van consumenten over de ontwikkeling van de economie. Als mensen meer gaan
sparen en minder gaan consumeren daalt de productie en de werkgelegenheid nog meer.
De ECB (europese centrale bank) wil de werkloosheid te lijf gaan door de bestedingen te
stimuleren. Dit doet zij door de rente te verlagen. Bij een lagere rente gaan mensen meer lenen
en minder sparen. De geldhoeveelheid neemt dan toe en daardoor kunnen de bestedingen
toenemen. waardoor de productie toeneemt en de werkloosheid af. Een sterke groei van de
geldhoeveelheid kan de inflatie aanjagen. Inflatie is de stijging van het algemeen prijspeil. Een
nadeel is dat de koopkracht van vaste inkomens daalt. De koopkracht hangt af van het inkomen
en de prijzen. Deflatie is als de prijzen dalen. Mensen die inkomen hebben in de vorm van rent,
huur en winst zullen rijker worden ten opzichte van de mensen die loon als inkomen hebben.
1.2 economie gaat over kiezen
Goederen kun je vastpakken, ze zijn stoffelijk zoals een mobieltje. Diensten zijn onstoffelijk zoals
‘op vakantie gaan’. Goederen en diensten noemen we producten. Hoe meer producten mensen
kunnen kopen des te welvarender ze zijn. Het kopen van producten boot behoeftebevrediging
heet consumeren. Worden producten gekocht voor een bedrijf, dan voorzien ze niet in de
behoeften van de koper maar worden ze gebruikt om verder mee te produceren. Een investering
is het aanschaffen van goederen en diensten door bedrijven om er mee te produceren. De
behoeften of wensen zijn veel groter dan de middelen. De spanning hiertussen is schaarste. In
het dagelijks leven is goed schaars gebrek aan. In de economie wordt het begrip schaarste
gebruikt in relatieve zin: een product is schaars, als er een offer of inspanning moet worden
geleverd om het goed te maken. Schaarse goederen kosten geld. Goederen die geen schaarse
middelen nodig hebben zoals lucht noemen we vrije goederen.
De opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste, niet gekozen alternatief. Keuzes en
opofferingskosten worden vaak uitgedrukt in geld f in tijd. ‘Tijd is geld’.
1.3 budgetlijn
Een budgetlijn geeft de verschillende keuzemogelijkheden aan bij een gegeven budget. Het
budget wordt meestal uitgedrukt in geld maar soms ook in tijd.